Skip to content

Tag: Amsterdam

Koud

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Koud

Ze stond voor een snackbar. Haar stek moest ze even in de steek gelaten hebben, want ze was in werktenue. Ze was me opgevallen, omdat ze een jarretelgordel droeg. Iets wat je – het stereotiep ten spijt – niet vaak zag bij hoeren. De nylons waren vleeskleurig, net zoals het het kantgerande satijnen broekje met bijpassend topje. Ze stond op haar bestelling te wachten en het was ijskoud.

Ik had mijn handen van mijn jaszakken naar mijn broekzakken verplaatst om ze warm te houden. Mijn ogen zochten haar huid af, maar ik kon nergens kippenvel ontdekken. Alleen hier en daar een blauwe plek en een heleboel moedervlekjes. Het leken er honderden te zijn, alsof iemand een vulpen in haar omgeving had afgeslagen als een thermometer.

Hoerentekeningen Max van NordenDe kou scheen het hondje in haar armen meer te deren. Het diertje leek in constante staat van vibratie te verkeren. Het was er een van dat superkleine soort met een strik in het haar. Zijn ogen straalden de haat uit van al de verzopen miljoenen voor hem, die gefokt waren om tot zijn rasideaal te komen.

Toch paste hij bij haar. Associaties met het schilderij ‘De Twee Wezen’ drongen zich aan me op. Ik besloot wat te bestellen bij de in walmen gehulde man achter de toonbank. Bij het voorbijschuiven in het nauwe betegelde gangetje dat naar de toonbank leidde, liep ik per ongeluk tegen haar aan. Een schel gekef van het hondje en zij begon te lachen, een hele rij tanden ontblotend met de regelmatigheid van een kunstgebit van het type dat in de jaren vijftig graag gedragen werd.

Misschien niet zo opwindend op het eerste gezicht, maar U moet weten dat ik die dag al een redactievergadering had meegemaakt met meer hoerigheid dan een raam kon bevatten, de afgesloten telefoon had betaald en een bezoek aan het belastingkantoor had gebracht om een afbetaling te doen over een aanslag van een belastingjaar dat ik me amper kon herinneren. Het wisselgeld brandde in mijn zak.

Wat ik nu voor me zag, beurde me op. Het hondje had een herder kunnen zijn en zij familie.

‘Ga je mee?’ vroeg ze even later, toen ze me met een paar keurende blikken als klant herkend had. Ik knikte, zei mijn bestelling af en liet de vloek van de patatbakker over mijn schouders waaien.

Ze nam me bij de arm, het hondje stak zijn snuit onder mijn oksel, keek me een ogenblik tevreden aan en zakte vervolgens terug in een ontspannener frequentie.

Daar liepen we dan. Ik genietend van haar lucht en het gebons van haar heup tegen de mijne bij het zwikken van haar naaldhakken. ‘Je bent een mooie jongen,’ zei ze. Ik keek in haar ogen of er spot of oprechtheid in te lezen viel, maar geen van beide was het geval – tot mijn tevredenheid. Met iets van ontroering keek ik naar ons spiegelbeeld in de ruit van een sexshop, waar we aan voorbij liepen.

Ja, zo had ik voor het nageslacht vereeuwigd willen worden. Bibberend van de kou, maar stram in de pose, gearmd met een bijna naakte hoer.

‘Dat was je grootvader. Hij had het bijna altijd koud.’

Betalen moet iedereen

In 1991 ging mijn toenmalige vriendin – die op vakantie gaan zag als een manier om met zoveel mogelijk mannen te slapen – voor negen dagen naar een Spaans eiland. Voor elke dag van haar aanwezigheid daar tekende ik uit herinnering een raamhoer, want ik bevond me op dat moment ver van de Amsterdamse Wallen. Op sommige van die tekeningen staan prostituees geportretteerd die ik als kind gezien heb met mijn moeder op weg naar de Bijenkorf. Andere hoeren weer heb ik ook daadwerkelijk gekend en zelf bezocht. Een bevriend journalist adviseerde me die tekeningen naar Penthouse te sturen. Daar vroeg men mij om een paar citaten over hoerenlopen en in plaats daarvan schreef ik bij elke afbeelding een korte tekst.

Betalen moet iedereen

Men roept wel eens dat ik een vrouwenhater ben en dat het daardoor gekomen is dat ik zo fijn kan hoerenlopen. Of dat zo is, weet ik niet. Dat mijn haat zich alleen op vrouwen zou richten, spreek ik tegen.

In ieder geval ben ik wel door een mannenhaatster opgevoed. Geen harde feministe, maar een roddelend moedertje dat het vaandel torste voor een hele horde zwaarlijvige, grijze plattelandsvrouwen. Haar afkeer van mannen en haar idealisering van de vrouw gingen zo ver dat ik op mijn zestiende door haar volledig was voorgelicht over de delicate seksualiteit van de vrouw.

Het was ‘t resultaat van een lange rij voorlichtingssessies, waarin ze de man noemde als er een voorbeeld moest worden gegeven over hoe het niet moest.

Naar aanleiding van een televisieprogramma, zei ze me eens dat ze niet begreep hoe een man in godsnaam geld kon uitgeven aan een hoer.

Zonen gaan nu eenmaal niet naar hoeren, dus ik haalde mijn schouders op. ‘Als ik begrijp wat de mensheid beweegt…’ Maar ze zeverde er over door met de niet aflatende drammerigheid die er waarschijnlijk ooit ook eens toe moest hebben geleid dat mijn vader de eigenaardigheid had ontwikkeld om tijdens gesprekken naar het plafond te staren.

Ik liep naar de drankkast. Ik hoopte dat ze afgeleid zou worden. Een vlo bij de hond. Thuiskomende buren.

‘Hij neemt er nog een,’ ondertitelde mijn vader.

‘Ik snap er niets van,’ zei mijn moeder nog eens ten overvloede.

Ik moest nu wat gaan zeggen, anders was er niet genoeg drank in die kast om me weer rustig te krijgen. Hoever ik het ooit zou schoppen, welke hindernissen ik ooit zou weten te nemen, mijn moeder de mond snoeren zou mij nooit lukken en mijn vader ook niet.

‘Waarom bekijk je het niet anders, ma…’ De baby van de maand had model gestaan voor mijn glimlach. ‘Misschien zijn er zat mannen die er op hun beurt weer niets in zouden zien om met de voorzitster van de vereniging van plattelandsvrouwen te slapen…’

Mijn vader die zijn hoofd wat had laten zakken, keerde zijn blik alweer naar het plafond, scheen even na te denken en wees dan naar de walmen in het witsel boven de open haard. ‘Het wordt tijd dat we weer eens gaan witten.’

Mijn moeder zei niets. Ze hield haar blik star op de televisie gericht, maar ik kon zien hoe een rimpel aan haar mondhoek millimeters diepte won.

Betalen moet iedereen.


Het duurde even voordat Penthouse reageerde, dus ik had de verhalen ook opgestuurd naar literair tijdschrift De Held. Ook van hen hoorde ik niets, maar op een dag verschenen de verhalen en de tekeningen vrijwel tegelijk in zowel Penthouse als De Held. Later verschenen dezelfde verhalen ook nog in Propria Cures. Tevens verscheen er een klein boekje met alle verhalen en 6 van de tekeningen in een lage oplage bij Uitgeverij Kleyn.