Skip to content

Month: December 2016

Kathedraal Utrecht CS

Mijn grootvader, machinist bij de Nederlandse Spoorwegen tot eind jaren vijftig, moet zich gisteren driemaal omgedraaid hebben in zijn graf, toen de trein die mij van een bezoek aan mijn moeder terugbracht naar Amsterdam bij Driebergen-Zeist stopte en de machinist omriep dat we teruggingen naar station Arnhem omdat de machinist in de trein voor hem ‘een zachte klap’ had gevoeld en vermoedde dat iemand voor zijn trein was gesprongen.

Het lijkt me dat wanneer je als machinist gewoon recht vooruit kijkt – een van de weinige taken van belang die je moet uitvoeren – je heus wel weet of er iemand voor je trein is gesprongen, maar in principe zou dat verhaal kunnen kloppen. Tegen de zijkant van een rijdende trein aanspringen kan immers ook. Het zijn niet de slimste mensen die de weg niet kunnen vinden naar de driftig adverterende levenseindeklinieken.

Dat de gemiddelde Nederlandse passagier minder dom is dan de gemiddelde NS-medewerker bleek al snel, want men liep elkaar onder de voet om uit die stilstaande trein te komen. Ieder voor zich had uitgerekend dat er vanaf Arnhem geen laatste trein meer ging die hen nog diezelfde dag thuis zou kunnen brengen.

Het was immers ook nog eens Eerste Kerstdag.

Je zou denken dat er genoeg kantoorpikken, machinisten en buschauffeurs in het land zijn die een goed excuus konden gebruiken om verlost te worden van een heilig avondje met de schoonfamilie, maar de NS ondernam gewoon helemaal niets. Ondertussen braken er schermutselingen uit tussen mensen die uit die afgeladen trein waren gekomen en probeerden om zich massaal in een reguliere streekbus te vechten.

Dat had ik vaker meegemaakt. Voor mij, als iemand voor wie het onmogelijk is om op twee slechte heupen staande te blijven in een schommelende bus, was dat sowieso geen optie. Dan maar een taxi bellen. Door het jarenlange geblunder van de NS ben ik immers geheel gewend geraakt aan het onderhandelen met taxichauffeurs over langeafstandsritten.

De eerste taxi die ik gebeld had werd geclaimd door een groep Tokkies die beweerden eerder gebeld te hebben, maar ze wilden niet even in hun telefoon laten zien dat dit ook werkelijk zo was.

Twee wat oudere en wat hoerig uitziende dames van middelbare leeftijd hadden inmiddels een passerende automobilist die eruit zag als De Dood van Pierlala tot stilstand gebracht en dusdanig opgegeild met omhelzingen dat zij konden vertrekken. Uit de omlaaggedraaide raampjes van die auto juichend en middelvingers opstekend naar de achterblijvers verdwenen zij uit zicht.

Ik zat ongemakkelijk op de rand van een muurtje dit alles gade te slaan en dacht: Dit is Nederland, dat land dat ik al van kinds af aan niet serieus heb kunnen nemen.

Uiteindelijk kwam onze taxi en de chauffeur zag de menigte mensen die op een taxi stond te wachten en liet zich snel overtuigen om ons niet mee te nemen door een groepje criminele jongeren die met onwerkelijke bedragen fooi begonnen te schermen.

Inmiddels dacht ik: Laat iedereen in godsnaam maar eerst vertrekken, want ik wacht wel op de laatste taxi zodat ik in ieder geval mijn waardigheid kan behouden door geen al te vervelend gedrag te vertonen.

Een half uur later kregen we die taxi. Met een oplichter als chauffeur, maar een kniesoor die daar dan nog een punt van maakt en hij zette ons – na een korte stop zodat onze medepassagiers nog even konden pinnen – af bij Utrecht CS.

Ik was de laatste tijd nog niet op dat station geweest, maar ik keek mijn ogen uit. Een ware kathedraal heeft de immer falende NS daar neergezet. Je zou bijna gaan denken dat de NS haar passagiers serieus neemt. Schiphol steekt bleekjes af bij dat station, maar goed dan ga je de roltrap af naar het perron en vervolgens kom je in een ruimte terecht die eruit ziet als een deel van de oude, Duitse Atlantikwall.

Dan ben je meteen weer terug in de realiteit en weet je weer hoe de jongens en meisjes op de kantoren van de NS écht over passagiers denken.

De Tolk

In Moskou had ik echt een enorme weerzin naar mijn tolk opgebouwd. Ze was lesbisch, maar dat mocht natuurlijk niet zo heten in Rusland. Voortdurend hing zij aan de telefoon met haar boze minnares en ik weet niet of u wel eens twee weken van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat op pad bent geweest met iemand die om het half uur iemand per telefoon moet uitschelden, maar dat is geen pretje.

Het was niet mijn eerste bezoek aan Rusland en ik had me al eerder voorgenomen om Russisch te leren, maar dat lukte gewoon niet meer. Op school was ik goed in vreemde talen, maar nu gaat het leren van een nieuwe taal niet meer zo vlot.

Wel heb ik een account op de Russische Facebook oftewel vk.com (vKontakte) en daar onderhoud ik contacten met de modellen met wie ik bijzonder prettig gewerkt heb. Af en toe lever ik een commentaartje met behulp van Google Translate en dat levert eigenlijk alleen maar misverstanden op.

Nou had ik vanavond zo gedacht dat ik toch op z’n minst een paar mensen gelukkige feestdagen kon wensen, dus ik heb uren zitten oefenen met behulp van geluidsbestanden en fonetisch schrift om die woorden in het Russisch uit te spreken. Ook vond ik dat het een ludiek filmpje moest worden, zonder er rekening mee te houden het Russische gevoel voor humor wezenlijk anders is dan het westerse gevoel voor humor.

Ik plaatste de video op mijn vk-account http://vk.com/hansvanderkamp waar hij volledig genegeerd werd en op Instagram wist ik weliswaar wat ‘hartjes’ te oogsten van Russische modellen, maar voor de rest viel er een beleefd stilzwijgen.
 

Afspraken

Men beweert wel eens dat ik met ouderdom koketteer en die constatering gaat natuurlijk altijd gepaard met de opmerking: ‘Je bent net zo oud als je je voelt!’ Ik wil dan zeggen dat ik me op mijn zestiende al tachtig voelde, maar in plaats daarvan zwijg ik en denk aan het briefje dat ik ooit naast mijn bed vond bij het ontwaken. Een briefje geschreven door een groupie van de Golden Earring die na een concert bij mij was blijven slapen. Kennelijk had de groep geen emplooi voor haar gehad die nacht.

Het papier dat ze daarvoor had gebuikt was op ruwe wijze uit mijn mooiste Chinese cahier gescheurd. Omdat we in bed beland waren zonder eerst de gebruikelijke formaliteiten te doorlopen, wist ze niet hoe ik heette, net zo min als ik wist hoe zij heette. Dus de aanhef was: ‘Aan het alleroudste jongetje van Nederland.’ Daarna volgde een verhaal dat ze op tijd bij de bus van de Golden Earring moest zijn om weer terug te kunnen gaan naar Den Haag. Ik snapte die noodzaak wel, want vaker dan me lief was had ze mij gemeld dat ze geen geld had.

Het alleroudste jongetje. U ziet het, ik verzin die dingen niet zelf. Dus u kunt zich voorstellen hoe oud ik mij voel, nu ik eindelijk tot mijn eigen verbazing na een bijzonder ruig leven toch de 61 heb gehaald. Zo oud dat het eigenlijk niet meer in jaren te vatten is, dus ik zou kunnen zeggen dat ik me voel alsof ik zes levens heb geleefd. Een paar jaar geleden zei men dan nog: ‘Maar je ziet er nog zo jong uit!’ Dat is nu ook voorbij omdat ik het in grote hoeveelheden eten van chocolade als vervanging voor drank heb ontdekt waardoor ik in fat pants  en voor de omvang van mijn buik veel te korte XXL T-shirts door het leven waggel.

Ga ik me daar onzeker over voelen, dan herinner ik mezelf er snel aan dat een mooie jongen zijn in het verleden ook voor een hoop ongevraagd drama heeft gezorgd. Om in de sfeer van deze terugblik te blijven: dan had ik nog een intact Chinees cahier gehad en dan had ik me ook niet hoeven laten pijpen door een groupie die kennelijk dacht dat pijpen bedoeld was om niet alleen je zaad maar meteen ook je ruggenmerg naar buiten te zuigen.

Maar goed, ik kan met mezelf leven. Mijn karakter is uitgekristalliseerd en ik wil me niet meer verontschuldigen voor mijn vele onhebbelijkheden, want ik voel geen noodzaak mezelf nog te veranderen.

Met dat laatste maak ik echter een grote denkfout.

Ik zou in principe zo kunnen leven, ware het niet dat ik in mijn werk als fotograaf voortdurend met veel jongere mensen te maken heb en de manier waarop zij leven is wezenlijk anders dan hoe ik leefde in mijn jeugd. Ze lijden bijna allemaal aan Orthorexia Nervosa, oftewel een obsessieve interesse voor de bestanddelen van het voedsel dat ze tot zich nemen. Bovendien kunnen ze zich geen meter verplaatsen zonder een flesje water en een smart phone. Dat krijg je ervan als je mensen van een enkelvoudige dwangmatigheid zoals roken afhelpt, denk ik dan vaak.

Toch kan ik ook daar ook best wel mee leven. Waar ik minder goed mee kan leven is de manier waarop veel van hen met afspraken omgaan. Kennelijk is het zelfs voor goeddeels werkloze jongeren van het uiterste belang om drukbezet over te komen. Zo kan het gebeuren dat een model eerst in een open bui meldt dat ze de komende maanden geen andere afspraken heeft dan met het UWV en mail ik haar vervolgens of ze in de komende weken wellicht eens wil komen poseren, dan krijg ik als antwoord: ‘Yay! Cool! Zodra ik in de buurt van mijn agenda ben, dan zal ik even kijken.’

Zou die agenda dan niet in die smart phone zitten, vraag ik mij dan bezorgd af. Zou die nog gewoon van papier zijn? In een mooi Chinees cahier misschien?

Dan hoor ik dagen niets meer totdat de persoon in kwestie zich via een berichtendienst als WhatsApp meldt met een optie-afspraak. Wij noemden dat vroeger een in principe afspraak, maar de vlot Engels babbelende jeugd drukt zich bij voorkeur uit in Anglicismen. Daar is niets op aan te merken, want ‘in principe’ is van oorsprong Latijn en dus ook geen Nederlands. In het begin ging ik nog wel eens mee met zo’n optie-afspraak maar die worden dan vrijwel zonder uitzondering een kwartier van tevoren afgezegd.

Ik heb nog niet anders meegemaakt dan dat het zo verliep. Ik laat me echter niet snel ontmoedigen dus na nog een keer of twee afzeggen staat zo’n model dan uiteindelijk voor mijn camera. Eind goed, al goed zult u denken, maar de langzaam opgebouwde ergernis vertaalt zich ongewild naar mijn regie bij het fotograferen en dat is vaak goed zichtbaar in de eindresultaten van zo’n fotosessie.

De keuze is dus aan mij. Ik kan me aan die manier van afspraken maken aanpassen en vooral heel gezond leven zodat ik niet aan een door ergernis veroorzaakte hartinfarct bezwijk, of ik moet ervoor kiezen om met pensioen te gaan.

Even zeiken

Zo aan de vooravond van Kerstmis moet ik gewoon even zeiken. Ik heb nog niet nagedacht waarover, maar als het toetsenbord eenmaal rammelt dan komt het vanzelf. Van mijn uitgever uit een ver verleden mocht ik tegen niemand zeggen dat alle rottigheid die er dan uitrolt als het ware gedicteerd wordt door een hogere macht, maar nu ik allang niet meer schrijf op een wijze die taalkundigen zou moeten charmeren mag ik daar rustig voor uitkomen.

Zoals ik al zei: het wordt gedicteerd. Ik kan in een prima humeurtje zijn en tevreden naar mijn kopje koffie kijken om een moment later het toetsenbord naar me toe te trekken en vervolgens alles wat lief en dierbaar is af te fakkelen. Ben ik eenmaal klaar met het betoog dan is die kop koffie waar ik me zo op had verheugd allang koud.

Nu zit ik hier en de hogere macht zwijgt. Zou het dan toch zo zijn dat het blonde leeghoofd in het café gelijk had toen ze ooit beweerde dat alle mannen vroeg of laat wijwater gaan pissen?

Als het maar in een krachtige straal komt, had ik toen nog luchtig geantwoord, maar nu beangstigt die uitspraak me.

Net zoals de opmerking van een eindredacteur, die toen ik wat lang doorzeurde over iets wat in mijn eerste zin al duidelijk genoeg was geworden, nuchter constateerde dat oude mannen nu eenmaal wat nadruppelen.

Nog even en ik ga lijken op zo’n beeldend kunstenaar in een dorp met drieduizend zielen die helemaal in zijn eigen grootheidswaan opgaat omdat niemand hem ooit van kritiek voorziet. Men maakt in kleine gemeenschappen nu eenmaal liever geen vijanden.

U ziet het hier nu gebeuren. Zonder die hogere macht sta ik eigenlijk alleen tegen mijn eigen broekspijp aan te zeiken.

De wereldwijde stekkerdoos

Met de term Wereldwijde Stekkerdoos wil ik het Internet niet kleineren, het is een liefdevolle verwijzing naar de periode dat het Internet langzaamaan voor een breder publiek toegankelijk werd. Het zal in 1995 zijn geweest dat ik als bezitter van een modem, in de zomer met de ramen open, voor het eerst mocht luisteren naar het gefluit en gepiep van een andere modem aan de overkant van de straat.

Er was nog geen Wi-Fi, veel Microsoftgebruikers hadden nog niet eens een browser die plaatjes kon tonen, en alle aansluitingen verliepen via koperdraad. Zo’n netwerk mag met recht een wereldwijde stekkerdoos genoemd worden.

Voor mij begon het met DDS, een Amsterdams initiatief, kantoor houdend in de Balie waar je dus als Amsterdammer zo naartoe kon fietsen om een floppy te halen die je in staat stelde om een programmaatje te installeren dat naar ik meen Telix heette om een bezoek aan De Digitale Stad Amsterdam te brengen, een kolossale site die zich op één enkele computer bevond, een Sun Sparc.

Veel technische know-how kwam van een groep ‘white hat’ hackers die hun eigen toegang tot het Internet verschaft hadden via hacktic.nl dat later Xs4all zou gaan heten.

De founding fathers and mothers van het Nederlandse Internet waren idealisten en ze waren zich ook terdege bewust van de gevaren die het Internet kon opleveren voor de burger. Hun pogingen om dat aan een digibete regering uit te leggen waren geheel vruchteloos, waardoor we nu nog steeds met een immense achterstand leven op het gebied van wetgeving die de brave burger zou moeten beschermen tegen overheden en bedrijven.

Het duurde echter niet lang of de idealistische DDS werd geïnfiltreerd door marketingjongens en -meisjes die na een bezoek aan een grote Internetbeurs in de RAI de potentie van het Internet als reclamemedium waren gaan zien. Dat resulteerde al snel in de beslissing dat mijn geheel non-profit site over Nederlandse literatuur, ooit door henzelf met vlag en wimpel binnengehaald, geen sponsoring meer kreeg in de vorm van gratis hosting. Daarentegen mocht een man die Flippo’s verzamelde en een ‘ruilsite’ was begonnen zich tot het einde van het bestaan van DDS als content provider op gratis hosting verheugen.

Het oorspronkelijke idealisme verwaterde dus snel en het is moeilijk om een datum te hangen aan die omslag, maar voor mijzelf was de opkomst van Wehkamp op het Internet, vlak na de introductie van Internet via glasvezel, het einde van een kort maar heftig tijdperk van fatsoenlijke mensen die een fatsoenlijk netwerk wilden bouwen.

Nadat bedrijven het web verzadigd hadden met advertenties, werden ook de overheden langzaam wakker wat geheel voorspelbaar resulteerde in meer ellende. Het is veilig te stellen dat de overheden en het bedrijfsleven de basis hebben gelegd voor Web 2.0, een Internet dat nauwelijks bescherming bood voor de burger. Dat was in eerste instantie vooral in het voordeel van het bedrijfsleven, niet de bestrijding van het terrorisme.

Ook de overheid genoot er zichtbaar van om bejaarden die geen Internetaansluiting hadden langzaamaan te dwingen om een DigiID te nemen wilden ze nog in aanmerking komen voor een woning of financiële tegemoetkomingen. Dat mag rustig schandalig genoemd worden omdat diezelfde overheid nog elke dag containers vol goeddeels ongelezen stapels papier creëerde en moeite had om hun computersystemen ‘betaalbaar’ te upgraden, om maar te zwijgen van de totale onwil van ambtenaren om die netwerken ook verantwoord te gebruiken. Veel verder dan de computer de schuld geven van administratieve fouten kwam men niet.

Een enkele lolbroek zoals politicus Rob Oudkerk die de computer gebruikte om op zoek te gaan naar goedkope maar bekwame prostituees werd ontslagen. Hij had mogelijk om heel andere redenen ontslagen kunnen worden, waar ik er minstens drie van kan opnoemen die voor de PvdA als partij veel belastender zouden zijn geweest, maar ere wie ere toekomt; Oudkerk zorgde als enige ambtenaar voor een voor de burger zichtbaar en begrijpelijk creatief gebruik van een overheidscomputer.

In theorie zou Web 3.0 nu een feit moeten zijn. Wat is het verschil met 2.0? Dat het bedrijfsleven nu niet meer het meeste roet in het eten gooit, maar dat de nog dogmatischer denkende ambtenaren/officials van internationale inlichtingendiensten nu ruim aan zet zijn.

Zo wordt door Obama geconstateerd dat Fake News de grootste bedreiging vormt voor de democratie, wat een absoluut lachertje is voor wie weet hoe journalistiek werkt. Er is nooit iets anders dan Fake News geweest. Nieuws is van nature democratisch. De ene scribent beweert dat Poetin een schoft is en een ander beweert dat hij het tweede onbevlekt ontvangen kind van de Heilige Maagd Maria is. Aan u de eer om te beslissen wat u wilt geloven, het ene uiterste of het andere uiterste, of iets er tussenin. Mocht u daar te dom voor zijn, dan is nieuws niet aan u besteed. Journalisten zijn geen schrijvers, maar overschrijvers die vooral voor hun hoofdredacteur en uitgever werken die beiden een politieke agenda hebben en ze schrijven zelden of nooit – zoals door naïeve geesten wel eens gedacht wordt – om het publiek te informeren.

Als Obama beweert dat de CIA – overigens zonder enige bewijsvorming – stelt dat de Russen de Amerikaanse verkiezingen hebben beïnvloed dan is dat voor NRC en Volkskrant Real News. Als Poetin beweert dat hij van niets weet en dat de CIA meer verkiezingen wereldwijd beïnvloed heeft dan welke andere inlichtingendienst, dan heet dat Fake News. Voor de Russen geldt hetzelfde maar dan omgekeerd.

Web 3.0 wordt mijns inziens dan ook niet zozeer gekenmerkt door de pijlsnelle opkomst van het Internet Voor Dingen als wel door het feit dat propaganda nu eindelijk echt salonfähig is geworden. Wat ooit het sterke punt was van overambitieuze volkscommiezen, is nu ook weggelegd voor intellectuelen die denken het beste met de wereld voor te hebben.

Daar gaan we weer

Ik weet het. Er is eigenlijk niets zo kinderachtig als om in een vlaag van ergernis je Facebook-account te deactiveren. Het is de derde keer dat ik het doe en de eerste twee keer heb ik mijn profiel na een paar weken weer geactiveerd. Niet omdat ik dacht iets te missen, maar omdat ik het zat was om E-mails en andere berichten te beantwoorden van mensen die zich afvroegen waar ik gebleven was.

Ik zit vooral op FB omdat ik daar mijn fotografiewinkel promoot en contact onderhoudt met mijn modellen.

Overigens heb ik mijn Facebook fotografiepagina die aan een andere account hangt wel in stand gehouden, dus echt weg ben ik niet, al komen de mailtjes met de vraag waar ik in godsnaam ben gebleven al met enige regelmaat binnen.

Ik ben gewoon thuis aan de Nieuwmarkt in het hipste bejaardentehuis aller tijden, maar dat telt niet. Je moet met het groene aanwezigheidslampje naast je meest voordelige portret op FB zitten. Met voortdurend openklappende praatvenstertjes. Vaak van mensen die je daar hebt leren kennen en die bovendien over een zeer beperkte woordenschat beschikken. Veel verder dan Wow, Hihihi, Hehehe en Cool komen ze vaak niet.

Lief en schattig, maar niet genoeg stof voor mij om een fatsoenlijk gesprek te voeren. Ook wanneer ik als oude man van frisse fotomodelletjes duizend emojihartjes en -kusjes toegestuurd krijg, kan ik alleen maar denken: Ik zal je eens goed in je kont komen naaien, dan zullen we eens zien wat voor visuele onbenulligheden je nog uit je razendsnelle vingertjes weet te wringen.

Niet aardig van me, ik weet het. En geloof me, ik zou me nog eerder met behulp van een snoer kerstlichtjes aan een balk ophangen. Het zijn juist die nare gedachten die me van dat soort daden weerhouden en me in staat stellen een brave en betrouwbare fotograaf te blijven.

Toch was acute ergernis niet de enige reden waarom ik mijn account gedeactiveerd heb.

Er was iets belangrijkers aan de hand. Facebook heeft in het verleden twee profielpagina’s en twee zakelijke pagina’s van mij geruimd, omdat mijn werk ‘aanstootgevend’ zou zijn. Dat wat in musea en galeries hangt kan op de een van de andere manier niet door FB getolereerd worden. Ik had de keuze, of ik bleef weg van FB of ik ging aan zelfcensuur doen. In mijn naïviteit dacht ik: Ach, what the fuck, dan schiet ik in dezelfde fotosessie nog een paar plaatjes die de pukkelige leeghoofden van FB behagen. In het begin vergat ik dat steeds, maar na een tijdje ging het als het ware vanzelf.

Totdat het punt gekomen was dat ik het gewoon niet meer in de gaten had dat ik aan zelfcensuur deed. Al mijn foto’s werden opeens door Facebook – zelfs voor advertenties – goedgekeurd.

Het besef dat het een instantie gelukt was om me op mijn 61ste alsnog grondig aan zelfcensuur te laten doen was eigenlijk te pijnlijk voor woorden, want censuur daar kan een mens omheen, maar zelfcensuur is het einde van alles wat ooit oprecht was.

Dus ook als ik onder druk van anderen mijn profiel weer wil activeren, dan zal ik me dat goed moeten realiseren.