Skip to content

Category: Gratis Nederlands

Gratis Nederlands

Geef die taal toch een nekschot, denk ik vaak. Ik heb nu echt lang genoeg naar haar doodsreutel moeten luisteren om er nog langer tegen te kunnen. Vooral als ik mensen om me heen hoor praten in teksten die doen denken aan slecht vertaalde pulp uit de jaren tachtig. Zoals: ‘We gaan ervoor!’ Of: ‘Ja, maar dat communiceer ik later nog aan je door.’

Natuurlijk ligt daar de ware kern van mijn ergernis niet. Die zit in mezelf. Ik werk nu sinds 1994 via het Internet en alle correspondentie in het Engels gaat over zaken die inkomen kunnen genereren en alles wat ik in het Nederlands schrijf is privé of voor projecten waar bijna geen budget voor is.

Dan word ik meteen weer herinnerd aan de karige beloningen die uitgevers van literatuur bieden, als ze je al niet geheel gratis voor hun morsdode literaire tijdschriften laten schrijven. Ik ben zeker geen commerciële jongen, maar om me nu door een paar oud-collega’s die boekjes pluggen als lijfeigene te laten gebruiken, dat gaat me toch net iets te ver.

Proza schrijven in Nederland doe je omdat je niet anders kunt, voor de eer of als opstapje naar iets beters. Er lijkt geen enkele relatie te bestaan tussen kwaliteit, inspanning en honorarium.

Onze taal heeft nu eenmaal een beperkt bereik en bij mij heeft dat er indirect toe geleid dat mijn Nederlands na bijna twintig jaar werken via het Internet even onbeholpen is geworden als mijn Engels, Frans of Duits.

De helft van mijn werk bestaat uit corresponderen met mensen van verschillende nationaliteiten, maar ik ben te laat in mijn leven meertalig geworden. Soms ben ik bereid om bij Engelstalige correspondentie de groene bibberlijntjes in Word, een prachtige indicatie voor ‘vertaald Nederlands’, weg te werken. Op andere momenten denk ik: Laat zo maar staan. Best charmant, zo’n Europeaan van de oude stempel die een poging doet een paar woorden buiten de deur te spreken.

Toch is het niet altijd zo geweest. Waarschijnlijk heb ik meer teksten in Gratis Nederlands geschreven dan ik in mijn eigen door vele verhuizingen geërodeerde archief terug kan vinden. In de komende tijd wil ik dan ook, als afscheid van de taal die ooit de mijne was, alle Nederlandse teksten van mijn hand voor zover die volgens mij de tand des tijds hebben doorstaan opnieuw in deze rubriek plaatsen.

Met welk doel, zult u zich misschien afvragen. Nou, als ik alles wat nog de moeite waard is hier geplaatst heb, dan past de database van deze site op een geheugenkaartje en kan ik mij bij een volgende verhuizing het gezeul met loodzware archiefdozen besparen.

HvdK

Link: Als tegengif voor mijn cultuurpessimisme bied ik u graag het college Taalverloedering aan van Marc van Oostendorp over ‘een soort van’ Nederlands: http://vimeo.com/54143080

Ramses (4)

Als ik terugkom van het toilet en de vleugel die in de aangrenzende kamer staat passeer om de deur naar de voorkamer te openen, slaat de warmte en bedomptheid me tegemoet. Ik wil de deur open laten staan, maar hij vraagt enigszins bits die te sluiten. Hij heeft het koud. Later in bed zal hij het ook koud hebben, terwijl ik bijna stik van de hitte.

Ik denk aan de kolonel uit ‘Honderd Jaar Eenzaamheid’ die vanaf de dag dat zijn vrouw hem verlaten heeft met een deken over de schouders geslagen loopt omdat hij het overal en altijd koud heeft. Hij vraagt me of ik van XTC gehoord heb. Hij praat erover met verrukking. Hij heeft gisteren de laatste genomen, maar hij beweert er nu nog op te lopen.

Ik krijg de keuze tussen het logeerbed en het zijne. Ik kies voor het zijne. Hij gaat me voor de gang in en de bovenbuurman komt met een vuilniszak omlaag. Ramses wil ook vuil naar buiten dragen, maar bedenkt zich snel. De bovenbuurman geeft me in het voorbijgaan een uiterst amicaal klopje op de schouder en een meer dan vriendelijke glimlach. Waar ik het aan te danken heb, dat is me geheel onduidelijk.

We komen in de eetruimte waar zich bovenin ook een soort slaapzoldertje bevindt. Hij beklimt de ladder en neemt een bandrecorder mee naar boven. Ik volg met twee blikjes bier in de hand. Het bed is omringd door asbakken, lege en volle flessen, pakjes sigaretten en wegwerpaanstekers. Op een plankje aan het hoofdeinde staat een mok met daarop een afbeelding van de Baghwan. De mok dient als extra asbak omdat de eigenlijke asbak uitpuilt van de filters.

Het meest word ik getroffen door een lijstje met daarin een platgeslepen stuk steen. Een afbeelding van een achterhoofd met schouders eronder. Alles in zwarte verf uitgevoerd. Het beangstigt me. ‘Het portret van de dood,’ constateer ik hardop. ‘Nee, dat ben ik,’ zegt Ramses. ‘Dat is mijn achterhoofd.’ Er volgt een ritueel met de wekker. Hij moet om drie uur ergens zijn om opgehaald en naar Dokkum gereden te worden waar hij vanavond met Liesbeth List zal optreden. Ik mag de wekker niet zetten, dat vertrouwt hij niet. In plaats daarvan doet hij het zelf en controleert zijn daden stapsgewijs met de nauwkeurigheid van iemand die weet hoe het is om ergens te laat, of in het geheel niet te verschijnen.

Daarna kleedt hij zich uit en begint een dronken geworstel met de bandrecorder dat veel heen en weer spoelen vereist. Als de band waarop hijzelf piano speelt dan uiteindelijk loopt controleert hij de wekker nog eenmaal en trekt zijn laatste kleren uit. Zijn lichaam bevalt me. Ik vraag me af waarom het toch is dat bij mensen alles boven het boordeknoopje het eerst de leeftijd verraadt.

Hij vraagt me waarom ik mijn overhemd en mijn onderbroek aanhoudt. ‘Ik heb puisten om mijn rug,’ zeg ik. Zijn gezicht verraadt in een flits schrik, maar die lijkt meteen weer plaats te maken voor tederheid. Ik trek mijn overhemd en slipje uit en toon mijn lichaam, terwijl ik er goed op toezie dat mijn buikspieren gespannen zijn. ‘Je bent een Griekse God,’ zegt hij.

‘Welke?’ vraag ik gretig. Ik wil Zeus zijn en vrouwen uit mijn hoofd baren. Ik ben dronken; ik wil nog veel meer. ‘Gewoon, een Griekse God.’ Tevreden ben ik wel, want ik haal hem met meer overgave aan dan eerst en vlei mijn hoofd tegen zijn borst.

Ik doe een poging om hem op te winden door met zijn pik te spelen, maar hij lijkt nauwelijks respons te geven. Dat moet mij weer overkomen, denk ik. Ooit ben ik vanaf een duister parkeerterrein met een oude, afzichtelijke Hemaverkoper met een muizesnuit meegegaan. Vijftig gulden had ik hem gevraagd. Het was de volgende dag Moederdag en ik was blut. Geloof het, of geloof het niet, maar die man kwam drie keer klaar voordat ik kon incasseren. En nu bakte ik er niets van. Ramses vraagt of het de eerste keer is dat ik het met een man doe. Ik betreur het dat ik nee moet zeggen; ik had graag de ideale combinatie met het formulier willen vormen, maar het zit er niet meer in.

Als ik mijn pogingen gestaakt heb en mijn hoofd weer op zijn borst heb gelegd, klinkt zijn hart rustig. Maar ik hoor een fluitende ruis in zijn linkerlong. ‘Je zou niet zoveel moeten roken,’ zeg ik vermanend, maar als hij me zwijgend met een uitdrukkingsloos gezicht blijft aankijken, betreur ik mijn uitspraak. Uiteindelijk rook ik zelf ook twee pakjes per dag. Ik zou eens moeten leren mijn kop te houden.

Ramses begint te hoesten. Een ingehouden hoesten. Hij zou eens goed moeten schrapen en kokhalzen, weet ik uit ervaring, maar dat doet hij niet. Hij schaamt zich voor me. ‘Je moet goed rochelen!’ zeg ik. Het komt uiteindelijk vanzelf; een echte knetterhoest die zoden aan de dijk zet. Hij straalt van liefde als ik zijn rood aangelopen hoofd zoen. ‘Je bent mooi,’ zegt hij weer. ‘Ik ben zo blij, dat je er bent.’ I bet you say that to all the boys, klinkt het voor de tweede keer in mijn hoofd.

Als hij met zijn hand de paar haren op zijn voorhoofd in positie strijkt met een gebaar dat beelden uit de jaren zestig oproept, raakt de moeder in mij pas echt op drift. ‘Je moet je geen zorgen maken over die haartjes,’ zeg ik, terwijl ik ze met de hand weer uit model probeer te krijgen. ‘Je hebt een hartstikke mooie kop.’ Ja, we hebben een verbond, denk ik. We zijn alle twee kettingrokende hoesters, beiden besneden en we zullen altijd en overal de laatsten zijn die de kroeg verlaten. Het voelt goed, zo in zijn armen. Broertjes in de dood; het achterhoofd van de altijd bruisende Ramses. Alles lijkt logisch en in verband te zijn.

Als er een mateloos gevoelig stukje piano komt op de band die nu al voor de tweede maal gekeerd is en hij me in zijn armen wiegt en een ‘Abessijns liedje, heel oud’ in mijn oor zingt op zo’n manier dat ik zijn lippen kan voelen, lijkt het verbond voor mij bijna religieuze vormen aan te nemen. Ik zweef nu echt; ik hoef niet eens moeite te doen mijn eeuwige kakelkop te houden.

Ik wil alleen maar grienen, eindelijk weer eens grienen. Het is een geschenk. Als het lied voorbij is, lig ik als een meisje dat is opgegroeid in een paradijs zonder stront en sores te schemeren van geluk in zijn kussen. Het is een kant van het groupiebestaan waar ik als dilettant op dit gebied nooit bij heb stilgestaan. Als eenmanspubliek in de armen van de maestro te liggen, het is niet niks. Ik zou de hele stereo het raam uitflikkeren. Vanavond nog.

‘Even hem nog goedemorgen wensen,’ zegt hij, terwijl hij zich over mijn middel buigt. Ik kom lang voordat hij het verwacht. Een oranje mouwloos Bagwanshirtje wordt gebruikt om af te vegen en hij valt in slaap na luid ‘Dank je, dank je!’ geroepen te hebben.

Een onrustige slaap met een lawaaierige ademhaling, onderbroken door hoestpartijen die zijn rug steeds als een boog gespannen doen staan. Zijn rechterbeen heeft hij om mijn enkel geklemd met een voor een slapende man onnatuurlijke kracht. Als ik me probeer om te draaien, oefent hij nog meer druk uit. Is hij bang dat ik een broodpoot ben die met zijn kostbaarheden op de loop gaat? Of is hij echt blij, vindt hij me echt een goed mens en wil hij dat ik bij hem blijf? Opeens snap ik ook waarom ik steeds alle lieve dingen die hij heeft gezegd voor geen haar serieus neem. Hij is een kop van de televisie. En bij de buis moet je jezelf steeds inprenten dat het allemaal niet echt is. Hij blijft een stukje film, ook al ligt hij live naast je te hoesten. Ik moet janken en mijn gedachten gaan terug naar mijn moeder jaren geleden; hoe ik haar verblijd had voor Moederdag met het plaatje Sammy.

Weken erna stond ze het nog te zingen in de keuken. Hoog, Sammy, kijk omhoog Sammy! Ze zou eigenlijk tussen ons in moeten liggen. Hoe dan ook, van slapen komt niets. Me omdraaien kan ik ook niet. Ik wil dat hij slaapt, dat hij rustiger gaat slapen. Alles voor het geval dat hij echt wil dat ik bij hem ben. Dat het geen televisie is, dat niet zo het volkslied komt en dat ik de aftocht moet blazen.

Drie kwartier later is hij wakker. Hij mompelt iets over de bakker en klautert de trap af, zonder me echt gedag te zeggen. Zie je wel, denk ik. De tijd dat hij weg is gebruik ik om mijn directe omgeving af te stropen op iets van hem wat ik me toe kan eigenen. Iets wat hij niet zal missen. Achter zijn kussen ligt een bloknootje van Amstel Bier waarop in zijn handschrift geschreven staat: tussen veel vuren in. Ik prop het in mijn spijkerbroek die over de balustrade van het slaapzoldertje hangt.

Tien minuten later is hij terug. Ik heb het laken weer over me heen geslagen en ik lig als de ideale echtgenote met een tevreden glimlach om de lippen op hem te wachten. ‘Hé, was je al wakker?’ klinkt het van onderen. Hij heeft geen boodschappen bij zich. Ik had hem zelf ook kunnen vertellen dat zijn geld op was. Ik steek mijn hoofd door de balustrade en groet hem terug. Weer die verrukte glimlach. Zou hij dan toch?

‘Ik ga een groentetaart voor je bakken,’ roept hij op een toon alsof hij landen voor me gaat veroveren. Een met aluminiumfolie omwikkeld pakje wordt uit de koelkast gehaald en hij gaat voor de geopende oven zitten en steekt die aan met een lucifer. Zo van boven lijkt hij ouder dan ik hem ’s nachts heb leren kennen. Het blijkt een soort quiche te zijn, die groentetaart. We eten in de keuken aan de ronde tafel die volgeladen ligt met ‘belangrijke zaken.’ Ik schuif wat post weg om ruimte te maken voor mijn bord. De roes van de nacht is nog niet voorbij. Hij lijkt rustiger, maar hij kijkt me nog steeds met hemelse blikken aan. Ik neem de keuken in ogenschouw en ben in gedachten begonnen om op te ruimen en het gasfornuis te ontvetten. Bezorgd informeer ik naar hoe het nou moet vanavond in Dokkum met weinig slaap en een luchtpijp als de Coentunnel op vrijdagmiddag. Hij zegt dat hij zal slapen in de auto. En dat hij, als hij niet kan zingen, zal doen alsof het zo hoort. Ik vraag hem of hij nog gaat drinken voor het optreden.

‘Witte wijn,’ zegt hij. ‘Bij Liesbeth altijd alleen witte wijn.’ Ik denk aan de wekker. ‘En Liesbeth houdt er ook niet van als je te laat bent,’ vul ik hem aan. ‘Je hebt maar drie kwartier geslapen.’

‘Drie kwartier?’ Hij is verbaasd. ‘Heb ik gesnurkt?’ Ik knik. ‘Gehoest?’

Hij draait zijn blik weg, weer die schaamte. ‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘Het moet er toch uit.’ Dat ik zelf ook niet gering gezopen heb blijkt als ik de helft van de groentetaart heb verorberd en elke porie in mijn lichaam zich opent. Als ik moet hoesten en mijn hand naar de mond breng, ruik ik zijn parfum weer. Om niet in te storten, sta ik op en begin door de keuken te lopen. Even ga ik bij wijze van test voor het aanrecht staan. Zou ik een goede Liesbeth voor hem kunnen zijn? Zou ik zoveel vertrouwen op kunnen wekken dat ik de wekker mag zetten?

Als ik me omdraai, staat hij voor me. Hij trekt de rits van zijn broek omlaag en voor het eerst zie ik hoe groot zijn lid is. ‘Jezus,’ zucht ik. Hij glimlacht. Maar als ik hem in mijn hand genomen heb en me verbaasd heb over hoe rozig en jong zijn lid lijkt ten opzichte van de rest van zijn lichaam, stop ik hem weer terug in de broek. Ik moet aan iemand anders denken die ook zo’n gigantische had. ‘Het spijt me,’ zeg ik. ‘Ik voel me vies en afgepeigerd.’

‘Bij mij mag je afgepeigerd zijn,’ zegt hij. ‘Ik zal je altijd mooi vinden.’ Het wordt tijd dat ik ga. Ik heb rust nodig. Hij schrijft zijn adres met grote halen op een vel papier en we omhelzen elkaar in de gang. ‘Bel je me?’ vraag ik.

‘Heb ik alles van je?’ vraagt hij.

‘Ja, je hebt alles van me,’ zeg ik, terwijl ik denk aan de ladingen telefoonnummers met ‘bedankt voor de heerlijke avond’ op de keukentafel waar ik het mijne tussen gedumpt heb. Hij zegt dat hij zal bellen, maar het klinkt te zwak om houvast te bieden.

Het is half twee en het is de eerste lekkere warme dag van het jaar. In de tram op de terugweg staat een voluptueuze, blonde vrouw. Een in ragfijne stof gehulde borst steekt uit haar openhangende mantel en haar tepel lijkt met een onzichtbare draad aan het puntje van mijn neus verbonden te zijn. Ze kijkt me uitdagend aan en ik weet weer eens even niet meer wie of wat ik ben.

‘Ja, het is lente!’ roep ik als ik ben uitgestapt tegen de auto’s die over het warme asfalt voorbijzoeven. Ik probeer mijn stem iets van het theatrale, lyrische van Ramses mee te geven, maar ik oogst alleen verwondering bij een oude vrouw met twee boodschappentassen, die gelijk met mij oversteekt.
 
 

Ramses (3)

Het eerste wat me opvalt als we de voorkamer van zijn woonruimte aan de Herengracht betreden, is de gelijkenis met de interieurs die ik gekend heb van keurige, studerende meisjes in het midden van de jaren zeventig. De blauwe vloerbedekking, het tweezitsbankje en de lege wijnflessen. Alleen de verzameling geluidscassettes overal op de vloer, het lege zakje wiet, de evenzo lege pakjes pijnstillers en de overvolle asbakken doen vermoeden dat dit niet de woonruimte van een studente Frans is.

Rechts van de schoorsteen hangt een portret van de zanger, naar zijn zeggen geschilderd door een vijftienjarig meisje. Het is een leeftijdsloze Ramses die schoonheid uitstraalt zonder pijn. Aan de andere muur hangt een groot wit canvas, dat hij zelf van plan is te beschilderen. ‘De hele stad hangt vol met mijn werk. Zodra ik wat geschilderd heb, geef ik het weg.’ Het laagje nicotinegeel dat als een film over het doek ligt doet vermoeden dat hij momenteel andere ambities heeft.

De ‘clearance’ wordt tussen de post uitgehaald. ‘Ik moet het je gewoon laten zien. Ik ben zo ontroerd!’ Inderdaad toont het formulier dat de heer R. Shaffy vrij is van HIV antibodies. Het formulier heeft echter niet de misschien zo bedoelde liefdesprikkelende uitwerking op me. Ik denk aan een vriend die jaren eerder aan een vreemde vorm van leukemie overleden is. Het woord AIDS bestond nog niet eens. Aan mij hoefden ze geen geld meer uit te geven om voorgelicht te worden. Straks in het nu voor de hand liggende bed zal het nog genoeg door mijn hoofd spoken. Formulieren baren me sowieso alleen maar angst in, ongeacht hun inhoud.

Het gesprek komt op mij en ik vertel dat ik wel eens iets in de journalistiek doe. Een uitspraak die me meteen doet vragen of hij het vervelend vind om zo iemand in zijn huis te hebben. ‘Wat voor kwaad zou jij me nou kunnen aandoen?’ zegt hij, niet zonder spot in de ogen. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik nog voordat zijn lippen de mijne raken.

De zon komt op en de gracht verliest iets van het effect van opeengestapelde doodskisten dat ik er steeds weer bij zonsopkomst in moet zien. Mijn echtgenote moet nu ongeveer wakker worden en zich afvragen waar ik uithang. ‘Ik moet eigenlijk mijn vrouw bellen,’ zeg ik, terwijl ik me los maak uit de omhelzing en een tweede flesje Duvel open. Als ik haar aan de lijn heb, is de eerste vraag waar ik ben. Ik wil het zeggen, maar ik vind het opeens een beetje pedant klinken. ‘Misschien moet hij het zelf maar zeggen,’ opper ik en geef de hoorn door.

‘Met Maxime’s,’ zegt Ramses. Er volgen nog drie andere even bizar gekozen namen en ik pak de hoorn weer van hem af.

‘Ramses?’ vraagt mijn echtgenote. ‘Goed geraden,’ antwoord ik droogjes, maar ik ben geschrokken. Als ik de hoorn heb neergelegd, ben ik nog steeds bij haar. Hoe heeft ze dat in godsnaam kunnen raden? Ramses vindt het schitterend. ‘Dat is de vrouw jongen. Zij weet het al. Hahaah! Wij hebben een verbond! Jij en ík.’

Later vertelt Ramses dat hij bij de buurman – hij wijst naar boven – in hypnose is en dat hij in trance met een vrouw geslapen heeft. Hij maakt wilde bewegingen met zijn middel en hij lacht. Als hij me vervolgens met ernstige blik meldt dat hij uitsluitend homoseksueel is, verbaast me dat. Er is iets in zijn strelingen en de manier van zoenen die mij, in tegenstelling tot wat ik ervaar bij andere mannen, een vrouw doet voelen, al kan ik niet verklaren waarom.

Hij zet een bandje op. Een opname waarbij hij geen tekst zingt, maar geluiden produceert die spontaan in hem opkomen. Het klinkt me Russisch in de oren. ‘Mijn moeder was Russisch,’ zegt hij met een serieuze blik. ‘Ja, ja,’ antwoord ik, matter dan ik bedoel. Ik realiseer me opeens dat ik zoveel van hem gehoord, gelezen en gezien heb, dat de mogelijkheid tot het normaal uitwisselen van personalia als voorspel bij hem alle kracht verloren heeft. Bijna alles wat hij me voor het eerst vertelt, hoor ik minstens voor de tweede, derde of vierde keer.

In plaats daarvan spelen we een spelletje. Ik raad de emoties achter de klanken van zijn stem. Hij denkt steeds even na om me dan vervolgens iedere keer weer gelijk te geven. Alleen uit het enthousiasme waarmee hij ‘ja’ zegt of ‘ja!’ roept, blijkt wanneer ik echt goed zit.

Het lied eindigt met een paar hele ingetogen keelklanken die doen denken aan een dier in het nauw. Hij draait de volumeknop die al ver boven de vervormingsgrens staat afgesteld terug, kijkt me verontschuldigend aan en haalt zijn schouders op alsof hij de witte wijn die hij voor de opname gedronken zegt te hebben, verantwoordelijk wil stellen voor deze klanken. ‘Schaamte!’ roep ik. Eerst betrekt zijn gezicht, dan pakt hij mijn hand en zegt met wat dronken ernst lijkt dat ik hem begrijp. Dat het heerlijk is dat er iemand is die hem begrijpt.

Er volgt een regen van complimenten: dat ik zulke mooie ogen heb, dat hij zich thuis voelt bij me. I bet you say that to all the boys, denk ik, maar ik betrap mezelf er wel op dat ik als een braaf meisje uit de provincie in zijn armen lig te zwijmelen.

(wordt vervolgd)
 
 

Ramses (2)

Notitie RamsesRamses

Hij zit aan de bar en laat zich omarmen door een grijsharige vrouw. Ze is nog in alles de kroegtijger die ze twintig jaar geleden – getuige haar verlopen hoofd – ook al moet zijn geweest. Haar monoloog heeft de nadrukkelijke zelfverzekerdheid van iemand die gewend is om in nuchtere toestand met gebogen schouders door het leven te gaan. Centraal in haar betoog staat de Zuid-Amerikaanse man die naar haar zeggen een gigantische afknapper is in bed. Iets wat de eigenaar van de bar bestrijdt. Hij maakt gebaren in de richting van de deur als de vrouw zijn argumenten met ‘macho gelul’ blijft afdoen. Ramses probeert haar te troosten maar elk teder gebaar schijnt alleen maar meer rancune in haar op te roepen.

Ergens loopt een Enrico of een Juan rond die goed op haar hartje is gaan staan, dat is duidelijk. De man en de vrouw waarmee Ramses eerder de zaak betreden heeft beginnen het duidelijk als storend te ervaren dat de luidruchtige monoloog van de vrouw concurrentie is aangegaan met het orkest dat meters verder een lied ten gehore brengt.

Ramses luistert, hoezeer het betoog ook van blinde haat doortrokken is en hij probeert de vrouw te bedaren met complimenten. ‘Je bent een mooi mens. Een heerlijk mens!’ Maar als ze een glas witte wijn over zijn broek morst, slaat zijn houding abrupt om. ‘Wat jij vindt kan me weinig schelen, schat,’ sist hij haar toe, ‘want je moet geen witte wijn op mijn nieuwe pantalon morsen!’ De toon waarop hij dit zegt, is meer dan resoluut.

Het gezicht van de drankzuchtige vrouw schrompelt ineen en Ramses staat op om naar het toilet te gaan. Ze kijkt nog wat om haar heen, ziet de veroordelende blikken en verlaat dan het pand. De eigenaar van de zaak zwaait haar een middelvinger na.

De laatste ronde is geweest. Het orkest pakt in en door de stilte die is ontstaan hoor ik dat de vrouw met wie Ramses is binnengekomen zich ‘midden in een hoofdstuk’ bevindt. Ze moet schrijfster zijn. Haar verwaarloosde lichaam en de manier waarop ze gekleed is spreken dit in ieder geval niet tegen. De man die naast haar zit probeert een gesprek met Ramses te beginnen. ‘Je ziet er echt veel beter uit dan we verwacht hadden,’ opent hij. De blik in zijn ogen verraadt onkunde over de hardheid van zijn uitspraak.

Ramses schatert en bedankt hem. De vrouw schiet toe om het gesprek in andere banen te leiden. Ze verontschuldigt zich voor de cruheid van de vraag, een uiting van plaatsvervangende schaamte die doet vermoeden dat zij het bed deelt met de vraagsteller.

Ramses bestelt gin-tonic en naast hem zit ik bier te drinken. Als mijn glas leeg is dan heb ik geen reden meer om te blijven zitten dus ik nip aan het glas alsof het onverdunde alcohol betreft, maar ik heb nog maar een bodempje. Het aftellen is gestart. Als hij een minuut of tien later, in tegenstelling tot mij en de andere klanten, toch nog een bestelling doorkrijgt, zie ik in dat mijn lot beslecht is. Ik kan mijn hand niet eeuwig zo om het glas gevouwen houden dat het barpersoneel niet ziet dat het leeg is.

Rechts van me zitten twee zielen de schoonheid van een overwinning van Ajax te bespreken. Als ze merken dat ik hen observeer, proberen ze me in hun gesprek te betrekken. Een actie die ik bot ontwijk. Ik wil van links aangesproken worden en ik ben niet van plan mijn pogingen te staken voordat ik de deur uit moet.

Als ik even later terugkom van het toilet, is mijn glas gespoeld en weggezet. Ramses is in gesprek met de Ajax-liefhebbers. Ik kan er nu, na mijn eerdere actie, moeilijk bij gaan staan. Ook ik moet, als de grijsharige, het pand verlaten. Buitengekomen geef ik het echter niet op. Ik loop rondjes en informeer vergeefs of er nog kroegen open zijn. In arren moede posteer ik me voor een snackbar op honderd meter afstand van het café en tuur naar de schimmen die het café verlaten.

Uiteindelijk denk ik hem aan de zwaaiende gang en de lange jas te herkennen. Hij is alleen. Ik werp de rest van mijn patatje in een afvalbak en ren in zijn richting om pas meters achter hem mijn pas in te houden. Hij is stil blijven staan, maar niet door de cadans van mijn voetstappen schijnt het. Hij graait in zijn zak en ik hoor het gerinkel van kleingeld dat hij met zijn wijsvinger door de hand schuift.

Als ik zie hoe hij staat te wiegen op zijn benen, moet ik – de spanning van het moment ten spijt – denken aan een gedicht, waarvan ik meteen met dronken spontaniteit de laatste strofe begin voor te dragen. Bij de laatste regel: ‘…so be careful when you bend over…’ draait hij zich om. Verstrooid neemt hij me eerst langzaam van top tot teen op. Als hij daarmee klaar is, lijkt hij een doorregende man die opeens de wolken ziet wijken.

Hij is mooi als zijn ogen zo oplichten en zijn kin omhoog gaat op de manier die je alleen ziet bij mannen die gewend zijn aandacht met wagonladingen te ontvangen. ‘Ik stond te tellen of ik nog genoeg geld had voor een taxi’ zegt hij, terwijl hij de vuistvol kleingeld vertwijfeld omhoog houdt. ‘Is er nog wat open? Ga je nog ergens naartoe?’ Ik schud mijn hoofd en vraag hem of hij misschien zelf thuis nog wat te drinken heeft.

‘Wat heerlijk dat je er bent, zegt hij, ‘ik heb nog wat te vieren. Ik ben zo ontroerd. Het is niet te geloven!’ Het is voor mij moeilijk te zien of hij oprecht is; als hij serieus kijkt, drukt zijn gezicht ook ontroering uit. Het zit ‘m in de vorm van zijn ogen en in de lijnen die zijn rimpels trekken.

Hij neemt me in de armen en drukt me tegen zich aan, zoals ik hem dat die avond vele malen eerder heb zien doen met anderen en hij vertelt me zijn verhaal. Dat hij vanochtend een bruine envelop uit de brievenbus heeft gehaald. Dat hij zijn ogen niet heeft kunnen geloven toen hij las dat hij niet HIV positief was. ‘Het is lente!’ galmt het over het met lege patatbakjes bezaaide plein.

Gearmd lopen we over het plein in de richting van de taxi. ‘Ik ben zo ontroerd!’ klinkt het steeds weer. ‘Het is lente en ik dacht dat ik dood zou gaan!’

(wordt vervolgd)
 
 

Ramses (1)

Illustratie © Hans van der Kamp
Misschien omdat het Gay Pride is, maar vooral omdat ik er zin in heb, ga ik het verhaal over een nacht met Ramses Shaffy in afleveringen op mijn blog plaatsen. Indertijd (1989?) werd ik voor rotte vis uitgemaakt in de gedrukte pers. Het NRC Handelsblad verweet mij onveilige seks, Pauline Terreehorst van de Volkskrant beweerde dat ik het verhaal uit mijn duim gezogen had en voegde eraan toe dat ik ongetwijfeld ‘het kledderigste stuk ooit’ had geschreven. Bijgaande mijn illustratie bij het verhaal dat in de eerste Nederlandse Playgirl werd geplaatst. Handschrift op de achtergrond is dat van Ramses, het is een opzet voor een tekst van een lied dat er naar mijn beste weten nooit gekomen is.
 
Ik hecht eraan de reactie van Ramses vooraf te laten gaan aan mijn tekst omdat ik mij indertijd vooral geërgerd heb aan de kritiek dat ik het verhaal verzonnen zou hebben. (Deze brief heb ik overigens ook eerder geplaatst op FB, echter zonder het verhaal zelf.)
 


 

Linke soep

In de slaapkamer ligt Gemma op de roze bedsprei. Haar linkerhand is met een stuk electriciteitsdraad aan een gietijzeren poot van het bed vastgebonden. Met haar vrije hand drukt ze een filtersigaret uit in een kopje. De neonbak aan het hoofdeinde verspreidt een groen licht over haar bijna naakte lijf.
 
‘Karel, jongen, waar blijf je toch? Ik ben je vrouw en jij laat me wachten. Dat gaat zo niet,’ mompelt ze, maar hij hoort haar niet, want hij staat in het schuurtje waar hij op de punten van zijn westernlaarzen spuwt om ze vervolgens krachtig met een borstel te lijf te gaan. De inspanning doet hem goed.
Als Gemma haar hoofd van het kussen opricht, steunt ze bij het beeld van haar geërgerde hoofd in de berg vlees die door de kapspiegel aan haar voeteneinde wordt weerspiegeld.
‘Mijn moeder had gelijk,’ bromt ze voor zich uit. ‘Ze moesten soep van me koken, het vet eraf scheppen en er een nieuwe van boetseren.’
De neonbuis begint te knipperen. De vastgebonden hand beperkt haar bewegingsvrijheid. Ze vloekt. Waarom had ze zich ook vast laten leggen met de belofte dat hij terug zou komen om een man te zijn? Ze had beter kunnen weten.
‘Gemma kan wel wachten. Dat vindt Gemma wel geil. Gemma heeft immers nooit gedeugd,’ schreeuwt ze tegen het goed geïsoleerde plafond. Met kracht haalt haar vrije hand uit naar het spaanplaten omhulsel van de lamp en het knipperen stopt terstond.
Er komen tranen in haar ogen. Voor hem ben ik ziek natuurlijk, denkt ze. Gemma is gek. Gemma wil geslagen worden. Gemma is een viespeuk.
 
Ik zal je leren met de buurman te flirten, denkt Karel als hij tweemaal door de kniëen gaat om zijn veel te krap geworden leren broek wat rek af te dwingen. Ik zal je leren. Hij trekt een kam door zijn vette haar en pakt een leren jek dat aan een spijker naast de deur van het schuurtje hangt. Het leer voelt koud tegen zijn blote bovenlijf.
‘Wacht maar tot ik werk heb,’ zegt hij, terwijl hij de punten van de kraag omhoogslaat. ‘Dan bepaal ik hier wat er gebeurt. Dan zul jij eens wat meemaken.’
De make up die Gemma heeft aangebracht om haar man tot de daad te brengen begint door te zweten en haar vingers dreigen gevoelloos te worden. Waarom laat hij haar toch wachten? Ze weet het zeker. Het is haar lijf. Hij zal wel denken…Gemma krijgt toch geen ander. Gemma is veel te vet.
Als ik geld verdien, denkt Karel, dan koop ik een oude rode Camaro en dan scheur ik de horizon tegemoet. Dan neem ik een vrouw die van mij houdt, ook in mijn blote reet, zonder dat leren pak en die laarzen. Stampend beklimt hij de trap naar de slaapkamer.
Wat een herrie zo’n dweil evenzo goed nog maakt, denkt Gemma. Straks zweet hij bloed. Straks kan hij weer niet.
De deur zwaait open. Karel blijft staan. Toch is het altijd weer nieuw, denkt hij, als hij haar ziet liggen. Zijn ogen zoeken de plekjes in de kousen waar ze ladders met nagellak een halt heeft toegeroepen. Het ontroert hem.
 
Waarom kan hij niet gewoon bij haar kruipen? Het beeld van de buurman komt hem voor ogen. Hij ziet de man in zijn BMW stappen. Op weg naar de stad.
‘Wat sta je daar nou te schutteren?’ fluistert Gemma. ‘Laat eens wat zien.’
‘Laat jij maar wat zien,’ zegt Karel.
Langzaam en niet zonder raffinement spreidt Gemma haar benen. Het gemak, waarmee ze dat doet, denkt hij. De hoer!
Als bevroren blijft hij zo aan haar voeteneinde staan. Seconden klikken zinloos weg op de wekkerradio totdat Gemma met een gedecideerd gebaar haar benen weer sluit. De schlemiel, denkt ze. Hij had op haar kunnen springen, haar aan kunnen raken op zijn minst. Ze lag hier niet voor niets vastgebonden voor hem.
‘Je houdt niet van me,’ snikt ze.
‘En jij gaat scheef. Jij deugt niet!’ zegt Karel. Hij probeert zakelijk te klinken, maar zijn stem is schor van de woede die in hem opwelt.
Vooruit dan maar, denkt Gemma. Ze trekt haar vieste gezicht en haar ogen boren zich in de zijne. ‘Weet je wat jouw probleem is? Ze hebben jou met de nageboorte verwisseld. Het goede deel hebben ze aan de hond gevoerd. Die heeft het smakelijk staan oppeuzelen. Die laat zich niet bedrie…’
Verder komt ze niet. Zijn vlakke hand is al op haar wang neergedaald. Hard, waarschuwend hard. Niet hard genoeg om zoden aan de dijk te zetten, weet hij.
Haar hoofd lijkt van beton. Onwrikbaar ligt ‘t in het kussen, de ogen vol spot, de mond in een honende grimas.
‘Je bent geen man,’ sist ze.
Hij moet harder slaan. Zo hard dat het stil wordt in haar hoofd. Dat er zoveel pijn is dat alle pijn in zichzelf oplost. Weer daalt zijn hand neer. Haar oor begint te suizen.
‘Zijn lul is lekker toch groter,’ fluistert ze verbeten.
Hij slaat tot hij niet meer kan slaan, totdat elke spier in haar lijf verslapt in verzadiging. En dan komen de tranen. Als een pasgeboren dier met nog gesloten ogen wringt hij zich aan haar boezem. Koesterend gaat haar hand door zijn haar.
‘Kom maar, beest van me. Kom maar bij je tante Gemma aan de borst. Het is allemaal van jou, dat weet je toch, sufferd.’

Als de pijn geblust is in liefde, wordt het grote licht ontstoken. Het electriciteitsdraad wordt losgewurmd en een sigaret wordt met een trillend vuurtje aangestoken.
‘Laat jij de hond uit?’ vraagt zij.
‘Dat spreekt voor zich,’ antwoordt haar echtgenoot die meteen het slaapvertrek verlaat. Zijn vingers zijn stijf en hij heeft moeite de hond goed aangelijnd te krijgen, maar eenmaal buiten lijkt het leven weer te kloppen. De hond schijt zonder dralen en de avondlucht is helder en fris.
 
Dit verhaal werd in 1990 geschreven en drie jaar later gepubliceerd in literair tijdschrift De Opkamer.

De laatste keer

Het verhaal De laatste keer  won in 1991 de Keefmanbokaal van Propria Cures en werd door Adriaan Jaeggi, trouw aan een mooie traditie van het studentenweekblad, omgedoopt tot Voor Diesje. Ik gebruikte het pseudoniem Johan Verpalen, omdat ik op gespannen voet stond met de zittende redactie. De Keefmanbokaal is een prijs waarmee de schrijver Jan Arends (1925-1974) herdacht wordt. Dit verhaal werd in 1994 ook opgenomen in de bundel Mooi Meegenomen van Uitgeverij L.J. Veen.


Voor Diesje

Vreemd dat alles minder wordt, behalve dat eeuwige transpireren, peinst de heer Hummel, wanneer hij op zijn twee nieuwe heupen, met behulp van zijn twee oude wandelstokken, op het perron stapt. Het driedelig dat hij draagt valt hem ruim om de schouders. In de eerste helft van zijn leven heeft hij de kostuums weg kunnen gooien omdat ze te krap werden en nu werden ze weer te ruim.

Ze zou er wel beroerd uitzien, zoals iedereen van zijn tijd. Een verschrompeld hoofd met twee ogen erin voor de identificatie. Niet veel meer.
‘Diesje, Diesje. Wat doe je me aan,’ moppert hij, als hij zijn linkerbeen niet hoog genoeg optilt, de hak blijft steken tegen een scheve trottoirtegel, en een felle pijn zijn lijf doorsnijdt.
Op loopafstand van het station, had het meisje van zijn afdeling hem voor vertrek bezworen. En verdomd, dat mens had ook altijd gelijk. Het bejaardentehuis lag goed zichtbaar, nog geen kilometer verder, langs de spoorweg. Een makkie voor dat tutje. Als ík aankom, denkt de oude man, dan rollen de schroeven uit mijn broekspijpen. Wat een eind, wat een allejezus eind om te lopen op twee kapotte benen naar een liefde met een lijf als een sok vol gebruikte theezakjes.
Toch zou geen afstand groter worden dan de oversteek van de zaal, zo’n vijftig jaar geleden, toen hij haar voor het eerst ten dans had gevraagd.
Als hij een vol uur later haar naam op een deur heeft gevonden, aanklopt, zijn wandelstok daarbij uit de hand heeft zien vallen en het vertrek betreedt, ziet hij dat ze in bed ligt. Echt iets voor Diesje, denkt hij. Met een scheurende pijn in heupen, kuiten en knieën loopt hij op haar bed af, de beide stokken in één hand houdend.
‘De tijd heeft jou ook goed te grazen gehad,’ fluistert ze, als hij zich bukt om haar wangen te zoenen. Het zijn niet alleen de ogen, constateert hij. Ook een glimlach weerstaat de tijd.
 
Ze wijst naar de stoel van wijlen haar tweede echtgenoot. Langer dan nodig geacht mag worden in het goed geboende vertrek, slaat de man op de zitting en de armleuningen van de pluchen stoel. Als hij zich bij gebrek aan beheersing van de benen met een plof achterover laat zakken in de stoel, gaat de deur weer open en een rinkelend en ratelend karretje rolt het vertrek binnen. Een puisterig meisje in een smetteloos wit schort schudt kussens op en informeert naar het met en zonder van koffie en thee.
Hij had thee gewild, maar hij bestelt koffie omdat zij hem voor is geweest. Zijn gewrichten mogen dan niet zo best zijn, met zijn maag is niets mis. Bovendien zitten er genoeg Rennies in zijn binnenzak om zoutzuur drinkbaar te maken.
Nadat de verzorgster het vertrek heeft verlaten, volgt er een stilte die alleen onderbroken wordt door drinkgeluiden. Hij neemt haar op, zij neemt hem op. Wat valt er te zeggen? Waarom zou een mens praten en zo’n geluk in de waagschaal stellen?
 
Weer gaat de deur open. De man hoort geen voetstappen achter zich en hij draait zijn hoofd om. De deur staat op een kier. Een trillende hand met daarin een fles Ketelaarjenever wordt naar binnen gestoken.
‘Joehoeh!’
Het gelaat van Diesje verandert in een kwaadaardige grimas.
‘Nee, niet nu!’ Er blijkt een magere man met gebogen postuur aan de fles vast te zitten. Hij is in pyjama en daarover draagt hij een bordeauxrode kamerjas die met een gordijnkoord lijkt te zijn samengebonden, en wanneer hij de man in de fauteuil ziet zitten, draait hij zich op zijn pantoffels om en sluipt als een Indiaan de deur uit. Weer volgt een lange stilte.
‘Je uitzicht is zo beroerd nog niet,’ zegt de man terwijl hij toekijkt hoe een merel stampvoetend een regenworm uit het gazon pikt. ‘Ze houden de boel hier tenminste een beetje bij.’
Een theelepeltje landt op het schoteltje.
‘Al die jaren,’ snikt ze. Er komen tranen in haar ogen die ondanks het vette poeder in haar rimpels moeiteloos omlaag rollen. ‘Al die jaren.’
‘Ik weet het, lief. Ik weet het,’ zegt hij. Iets in hem wil opstaan, maar hij houdt zich in. Bij Diesje wist je het nooit. Voordat je pap kon zeggen, was haar stemming weer omgeslagen.

‘Altijd ben ik van je blijven houden,’ zegt ze.
Hij wil zeggen dat ze net zo vaak van hem is weggegaan als ze is teruggekomen, maar in plaats daarvan zegt hij dat ook hij van haar houdt en weer breekt ze uit in een zacht snikken dat eindigt in een kramp die haar hele lichaam even lijkt op te tillen en dan is het stil.
Moet je nou eens zien, denkt hij, zoals ze daar ligt onder het portret van haar overleden echtgenoot. Verdriet vecht met razernij in zijn borst en hij breekt uit in een hoestaanval die hij smoort in de schone zakdoek die het meisje van zijn afdeling hem nog op het laatste moment heeft toegestopt.
De hoestaanval heeft hem zo uitgeput dat hij in slaap valt. De grote klok die ook in Diesjes huis de gang heeft gesierd, slaat driemaal en brengt hem terug in de realiteit. Hij hangt zijn jasje aan de fauteuil en neemt, zonder stokken, de twee passen naar het bed.
Je hebt altijd al koude voeten gehad, denkt hij als hij zich neervlijt aan haar zijde. Het bed is krap en de veren krijsen. Maar Diesje heeft op hem gewacht. Alles is, zoals het was. Roerloos ligt ze naast hem. Haar mond een beetje geopend, haar ogen mat op eigen lijf en leden gericht.
Hij herinnert zich hoe ze ooit, lang geleden, met haar hoofd op zijn borst had gelegen. Een groot, dik insect was onder hun ogen op zijn rechtertepel neergestreken. Hij had de angel uit het achterlijf zien komen, hij had haar ogen scheel zien worden terwijl ze stil toekeek hoe het vieze beest hem stak. Het had seconden geduurd, maar hij had zich tientallen keren afgevraagd wanneer ze wat zou zeggen. Ze had gezwegen. Net zo stil lag ze nu naast hem. Met één hand veegt hij haar nachthemd omhoog. Haar mond zakt verder open, als hij haar onderbroek omlaag wurmt.
Ach, werden haar lippen nog maar een keer die grote, mooie ronde O die hem zo vaak gediend had.
Het is vreemd, denkt de man, nadat hij enkele keren in haar heen en weer is gegaan, dat alles minder wordt, maar dat een man die te vroeg klaarkomt ook op zijn drieëntachtigste nog als eerste aan de finish verschijnt. Toch doet het hem goed, want de slaap neemt hem acuut op.
 
Hij wordt wakker van de gil van het meisje dat eerder koffie en thee heeft gebracht. Voordat zijn ogen scherp beeld leveren, heeft ze alweer in galop de kamer verlaten. Men kan het onheil achternalopen, maar het komt uit zichzelf ook wel terug, denkt de man en weer soest hij in slaap.
‘Mijnheer!’
De stem behoort een oudere uitvoering van de bejaardenverzorgster die eerder is langs geweest. Ze pakt hem ruw bij de bovenarmen en sleurt hem overeind. Haar blik heeft de wanhoop van mensen met een doel in dit bestaan.
Met de ene hand steun zoekend aan de vensterbank, stamelt hij: ‘Ik was met haar getrouwd,’ en kijkt met zijn broek op de schoenen toe hoe de verzorgster met een geroutineerd gebaar van duim en wijsvinger de ogen van Diesje sluit. De man hoopt op bloedstolsel in de aderen van zijn hersenen, opdat alles voor eeuwig zwart zal blijven, maar hij kent het leven goed genoeg om te weten dat hij nu gedoemd is honderd jaar te worden.