Skip to content

Max van Norden Posts

Wie betaalt, bepaalt

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Tanja

Ze kwam uit een heel ver besmet land dat ik alleen van missionarissenfilms kende zoals mij die door de Franciscaner paters op school getoond waren. Films die mij voor het eerst bewust deden kennismaken met borsten. Daarvoor had ik alleen nog de met staaldraad gewapende beha’s van mijn moeder en haar vriendinnen mogen waarnemen wanneer zij in de achterkamer elkaars kleren pasten.

Vrolijk bloot ook, die films. Veel gehos rond kampvuren en gestoei in drooggevallen beekjes. De zwarte vrouw zou voor altijd een warm plekje in mijn hart bezetten.

En Tanja was zwart, héél zwart. Ze praatte een beetje schor en zacht, alsof ze geen roofdieren op haar aanwezigheid wilde attenderen en ze kon haar neusvleugels mee laten bewegen op de melodie van haar stem. Ze werkte voor haar moeder, thuis in Afrika. Haar enige angst was dat die erachter zou komen waarmee het geld verdiend was.

HoerentekeningenVoor de rest leek het redelijk goed te gaan met Tanja. In ieder geval zag ze de toekomst hoopvol tegemoet. Om haar vocabulair, dat zich ten tijde van mijn eerste bezoek nog tot ‘Fokkie, fokkie?’ had beperkt wat uit te breiden, had ze het radiootje tijdens haar werk altijd op een praatzender afgestemd staan om zo haar onderbewuste vol te laden met Nederlands.

We werden goede vriendjes, Tanja en ik. Wippen werd vrijen en ik betrapte mezelf erop dat ik af en toe niet naar de hoeren ging, maar een bezoek bracht aan Tanja. Een griezelige gedachte, maar het geruststellende getik van de meter liep door.

Wie betaalt, bepaalt. Mij kon niets gebeuren. Het werd steeds mooier. Onze lippen vonden elkaar, onze handen klauwden zich steeds dieper in elkaars vlees en mijn Nederlandse lessen erna kregen een steeds intiemer karakter.

Op een dag was het dan zo ver. Ik had het moment tot lang na mijn dood willen uitstellen. Ik had mijn portemonnee getrokken en keek met afgrijzen naar haar afwijzende gebaar. ‘Neem dat geld nou, godverdomme…’ Ik wierp de briefjes op het kastje naast het bed. Tanja sprong met een hoop getik van de kralen in haar dreadlocks overeind en propte het geld weer in mijn overhemd.

‘Van jou!’ Een vaas werd omgekeerd en baarde een pak bankbiljetten. ‘Jou willen?’ Nu was het mijn beurt voor afwijzende gebaren, maar Tanja liet de biljetten langs haar lange vingers ritselen om te laten zien hoeveel het er wel niet waren. Er volgde een gebrekkig verhaal over een huwelijk en een Nederlands paspoort, waarin ik een hoofdrol toebedacht had gekregen.

‘Je zoekt maar een ander om een paspoort voor je te regelen!’ Ergens had ik alweer hoop gevat. Het ging niet om mij, maar om mijn nationaliteit, maar de gezichtsuitdrukking van Tanja riep recentere beelden op van datzelfde Afrika. Kommer en kwel.

Gesnik. Op de achtergrond klonk het Wilhelmus uit haar radiootje. Het praatprogramma zat erop. Het getik van de meter was ook definitief weg. Ik even later ook.

Wie betaalt, bepaalt. Dat had Tanja inmiddels ook goed begrepen.

Nederlandse waar

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Nederlandse waar

Door de willekeurig uitgeschopte pompoenslippers op het hoogpolig en de manier waarop ze erbij lag, leek het alsof ze onverwachts door verkeer van rechts was geschept. De omstanders die ‘Niet bewegen tot de dokter komt!’ riepen, bevonden zich echter alleen in mijn hoofd. En ze riepen meer dan dat. Ik moest klaarkomen, dat was duidelijk. Dat had ze me al tweemaal met een schraal gegrom te kennen gegeven. En de omstanders in mijn hoofd maanden tot spoed.

HoerentekeningenHet lukte me maar niet, ondanks het optimistische: ‘Koopt Nederlanse Waar, dan helpen wij elkaar!’, waarmee ik naar binnen was gegaan. Ik omhelsde haar nu zelfs echt, alsof ik van haar hield, iets wat ik anders niet deed. Bij hoeren koos ik meestal voor de push-up positie om ze van mijn gewicht te bevrijden. Je wist immers nooit welke dienst ze hadden; of ze net wakker waren of dat je de tiende was.

De mannen die het wel goed met haar hadden gekund, waren zeemannen geweest, naar het inktgeprikte anker op haar arm te oordelen. Jongens van De Wit!

Aan de andere kant van het dichtgetrokken velours werd op het raam getikt. Ze opende haar ogen. ‘Jaahah?’

‘Nel?’ Het was een mannenstem.

‘Ja, wat is er?’

‘Of je nog wat moet hebben. Ik gaat naar Keessie…’

‘Wacht effe…’ Ze stond in één vloeiende beweging op. Een milliseconde ervoor was ik nog in haar geweest en nu lag ik met kop en kruis op twee bruine badlakens. Elke spier in mijn lijf had gecapituleerd. Ik was van haar af gegleden als een laken.

Ze liep naar de deur en een ijzige vlaag sneed langs mijn billen. ‘Wat neem je zelf?’

‘Een bal en een patatje oorlog,’ antwoordde de man die ik nu aan zijn gezicht herkende als de bijgoochem die de ingang van de steeg in de gaten had gehouden. ‘Geef mij dat dan ook maar,’ zei ze. De deur werd gesloten en ze trok het gordijn weer dicht. Slordiger dan ze het eerder had gedaan, want ik zag de schichtige ogen van een klant voorbijschieten. Ze liep naar het bed, bleef even staan om de pompoentjes uit te schoppen en krabde onder haar netje. ‘Of had jij soms ook wat gewild?’

‘Eigenlijk wel, ja.’

‘He, verdomme,’ zuchtte ze, terwijl ze zich onder me schikte. ‘Heb je erge honger?’

‘Het valt wel mee,’ antwoordde ik. Ze leek er een kin bij te krijgen van zorg om mijn honger, maar ze zag er alleen maar liever door uit. De omstanders verdwenen uit mijn hoofd en ik zag alleen nog zeeheld Van Speyk voor me. Het hoofd fier omhoog, het einde in zicht.

Koud

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Koud

Ze stond voor een snackbar. Haar stek moest ze even in de steek gelaten hebben, want ze was in werktenue. Ze was me opgevallen, omdat ze een jarretelgordel droeg. Iets wat je – het stereotiep ten spijt – niet vaak zag bij hoeren. De nylons waren vleeskleurig, net zoals het het kantgerande satijnen broekje met bijpassend topje. Ze stond op haar bestelling te wachten en het was ijskoud.

Ik had mijn handen van mijn jaszakken naar mijn broekzakken verplaatst om ze warm te houden. Mijn ogen zochten haar huid af, maar ik kon nergens kippenvel ontdekken. Alleen hier en daar een blauwe plek en een heleboel moedervlekjes. Het leken er honderden te zijn, alsof iemand een vulpen in haar omgeving had afgeslagen als een thermometer.

Hoerentekeningen Max van NordenDe kou scheen het hondje in haar armen meer te deren. Het diertje leek in constante staat van vibratie te verkeren. Het was er een van dat superkleine soort met een strik in het haar. Zijn ogen straalden de haat uit van al de verzopen miljoenen voor hem, die gefokt waren om tot zijn rasideaal te komen.

Toch paste hij bij haar. Associaties met het schilderij ‘De Twee Wezen’ drongen zich aan me op. Ik besloot wat te bestellen bij de in walmen gehulde man achter de toonbank. Bij het voorbijschuiven in het nauwe betegelde gangetje dat naar de toonbank leidde, liep ik per ongeluk tegen haar aan. Een schel gekef van het hondje en zij begon te lachen, een hele rij tanden ontblotend met de regelmatigheid van een kunstgebit van het type dat in de jaren vijftig graag gedragen werd.

Misschien niet zo opwindend op het eerste gezicht, maar U moet weten dat ik die dag al een redactievergadering had meegemaakt met meer hoerigheid dan een raam kon bevatten, de afgesloten telefoon had betaald en een bezoek aan het belastingkantoor had gebracht om een afbetaling te doen over een aanslag van een belastingjaar dat ik me amper kon herinneren. Het wisselgeld brandde in mijn zak.

Wat ik nu voor me zag, beurde me op. Het hondje had een herder kunnen zijn en zij familie.

‘Ga je mee?’ vroeg ze even later, toen ze me met een paar keurende blikken als klant herkend had. Ik knikte, zei mijn bestelling af en liet de vloek van de patatbakker over mijn schouders waaien.

Ze nam me bij de arm, het hondje stak zijn snuit onder mijn oksel, keek me een ogenblik tevreden aan en zakte vervolgens terug in een ontspannener frequentie.

Daar liepen we dan. Ik genietend van haar lucht en het gebons van haar heup tegen de mijne bij het zwikken van haar naaldhakken. ‘Je bent een mooie jongen,’ zei ze. Ik keek in haar ogen of er spot of oprechtheid in te lezen viel, maar geen van beide was het geval – tot mijn tevredenheid. Met iets van ontroering keek ik naar ons spiegelbeeld in de ruit van een sexshop, waar we aan voorbij liepen.

Ja, zo had ik voor het nageslacht vereeuwigd willen worden. Bibberend van de kou, maar stram in de pose, gearmd met een bijna naakte hoer.

‘Dat was je grootvader. Hij had het bijna altijd koud.’

Een kopje koffie

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Een kopje koffie

Om vier uur ‘s nachts had ik voor een statig pand aan de Van Baerlestraat gestaan. Het meisje dat ik daar afzette, had me binnengevraagd voor een kopje koffie.

‘Nee, sorry, ik ga nog even langs de hoeren.’ Misschien kwam het door de drank, maar dat denk ik niet. Het zat hem meer in dat kopje koffie.

Een kopje koffie. De banaliteit! Ik zou godverdomme alle kopjes koffie, die ik ooit aangeboden had gekregen, maar nooit geconsumeerd had, omdat of de filterzakjes op waren of de koffie, in één keer achter elkaar moeten opslurpen om als een grote bruine zeepbel op de stoep van zo’n mens uit elkaar te spatten.

Hadden ze dan helemaal niets beters?

‘Hé, psssst!’ is alles wat een raamhoer nodig heeft om hetzelfde te bereiken. Ik had echt geen zin om voor de zoveelste keer proefkonijn te spelen voor hun van de Cosmopolitan pagina’s afgeplukte glimlachseks. Om vervolgens twee weken later voorgesteld te worden aan een hele club gekloond kantoorvolk met een huis vol Ikea-meubilair.

En de telefoonterreur. Wanneer zullen we weer eens wat afspreken?

Nee, geef mij Linda maar. Een half uur later was ik bij haar. ‘Zo, heb je weer teveel gezopen?’

‘Nee.’ Liegen mag van haar.

‘Moet je nou eens zien.’ Ze werpt me een dwangbevel in naam der Koningin toe met aardig wat nullen, ondertekend door Commies Zoveel van het belastingkantoor. ‘De vuile drooggeilers,’ mompelt ze, terwijl ze op een pakje Belinda sigaretten afstiert. ‘Ik lig hier godverdomme straks alleen nog voor de Koningin met mijn benen wijd.’

‘Ach, je moet niet zo zeuren,’ reageer ik met bolle tong.

Ze legt de brandende Belinda in een goudgerande, nepmarmeren asbak en loopt naar het dressoir, onderwijl nog een graai mijnerzijds ontwijkend. Een blauwe thermoskan komt tevoorschijn, twee Queen Anne kopjes tikken op de schoteltjes.

‘Jij ook een bakkie?’

‘Ja, heerlijk.’

Klaarkomen

Voor meer informatie over deze oude reeks korte verhalen over hoerenlopen, zie de eerste aflevering: Betalen moet iedereen


Klaarkomen

Bij Rita wist ik het niet. De schijn van contracties, de dauw op haar huid, het leek me een hele klus om dat te spelen.

Hoeren klagen vaak dat mannen zonodig moeten bewijzen dat ze hen klaar kunnen maken. Met alle schrale ellende vandien. Ik voel mij daar niet door aangesproken. Mij gaat het om mijn eigen gerief. Dat andere is voor de liefde. Ik haat het echter wanneer een hoer om mij te plezieren met veel slecht geacteerd gekreun en gesteun de suggestie wil bieden dat ze klaarkomt, of gaat klaarkomen.

Dat ze haar lichaam onderverhuurt ervaar ik niet als stuitend, het acteren van gevoelens wel. De vraag om het gekreun en gesteun achterwege te laten is dan ook iets wat ik standaard beding bij de prijsonderhandeling.

Het was dan ook vanuit dat uitgangspunt dat ik koste wat kost moest weten of Rita nu wel of niet echt klaarkwam.

‘Wat wil je horen?’ was haar reactie. Ze was een goede hoer. Ze zou geen antwoord geven zonder eerst te informeren wat ik het geilste antwoord vond. ‘Ik weet eigenlijk niet wat ik wil horen.’ Ze trok een Kleenex uit een doos en vouwde die met een precies, haast medisch gebaar om mijn lul teneinde het condoom te verwijderen.

‘Misschien kom ik klaar, misschien ook niet. Als ik zeg dat ik wel klaarkom vind je diep in je hart dat je voor niets betaald hebt en als ik niet klaarkom ben je teleurgesteld in je eigen kennis van vrouwen.’ Eén sierlijke boog en het condoom landde in een met Engels jachttafereel opgesierde prullenbak bij de rest uit de maxiverpakking. Daar had ik me bij neer te leggen en ik ben er nooit meer op terug gekomen, maar de twijfel bleef knagen.

Na verloop van tijd begon Rita meer en meer eisen aan me te stellen. Zo wilde ze niet dat ik dronk of me anderszins verdoofde voordat ik haar bezocht en ze begon zich zelfs met de aard van onze seks te bemoeien.

Het doek viel geruisloos op de dag van mijn achtentwintigste verjaardag, toen ik een kaart in de brievenbus vond. ‘Hartelijk gefeliciteerd, xxx Rita.’ Ze was vriendin geworden en die plaats was al bezet. Ik besloot haar niet meer op te zoeken.

Een jaar of twee later, in een dronken gesprek met een vriend, vertelde ik over die éne hoer, van wie ik dacht dat ze – tegen alle wetten van de betaalde liefde in – was klaargekomen. Nee, zoiets had mijn collega hoerenloper nooit meegemaakt. Alhoewel… Er schoot wat licht door zijn stukgezopen ogen. Ook hij had één keer getwijfeld.

Het duurde niet lang of we zaten in een taxi op weg naar dat ene raam dat mijn vriend zich nog dacht te herinneren. Natuurlijk reed de taxi, zijn aanwijzingen volgend, feilloos naar het raam van Rita. Even hoopte ik nog op een buurvrouw, maar nee. Ze bevond zich aan mijn kant van de auto. De enthousiaste kreet van mijn vriend viel samen met het moment dat mijn blik de hare kruiste.

‘Die, die!’ brulde mijn vriend opgetogen in mijn oor en ik moest mijn hoofd laten zakken om zijn wild gebarende arm wat ruimte te bieden. Rita wist hoe twee dronken kerels in een taxi eruit zagen en ze draaide haar hoofd weg alsof ze poep had geroken. ‘Nee, die ken ik niet,’ zei ik, zijn arm geïrriteerd wegduwend. ‘Wat een meid!’ riep hij nog, terwijl ik de taxichauffeur een por gaf om verder te rijden.

Ja, wat een meid.

Betalen moet iedereen

In 1991 ging mijn toenmalige vriendin – die op vakantie gaan zag als een manier om met zoveel mogelijk mannen te slapen – voor negen dagen naar een Spaans eiland. Voor elke dag van haar aanwezigheid daar tekende ik uit herinnering een raamhoer, want ik bevond me op dat moment ver van de Amsterdamse Wallen. Op sommige van die tekeningen staan prostituees geportretteerd die ik als kind gezien heb met mijn moeder op weg naar de Bijenkorf. Andere hoeren weer heb ik ook daadwerkelijk gekend en zelf bezocht. Een bevriend journalist adviseerde me die tekeningen naar Penthouse te sturen. Daar vroeg men mij om een paar citaten over hoerenlopen en in plaats daarvan schreef ik bij elke afbeelding een korte tekst.

Betalen moet iedereen

Men roept wel eens dat ik een vrouwenhater ben en dat het daardoor gekomen is dat ik zo fijn kan hoerenlopen. Of dat zo is, weet ik niet. Dat mijn haat zich alleen op vrouwen zou richten, spreek ik tegen.

In ieder geval ben ik wel door een mannenhaatster opgevoed. Geen harde feministe, maar een roddelend moedertje dat het vaandel torste voor een hele horde zwaarlijvige, grijze plattelandsvrouwen. Haar afkeer van mannen en haar idealisering van de vrouw gingen zo ver dat ik op mijn zestiende door haar volledig was voorgelicht over de delicate seksualiteit van de vrouw.

Het was ‘t resultaat van een lange rij voorlichtingssessies, waarin ze de man noemde als er een voorbeeld moest worden gegeven over hoe het niet moest.

Naar aanleiding van een televisieprogramma, zei ze me eens dat ze niet begreep hoe een man in godsnaam geld kon uitgeven aan een hoer.

Zonen gaan nu eenmaal niet naar hoeren, dus ik haalde mijn schouders op. ‘Als ik begrijp wat de mensheid beweegt…’ Maar ze zeverde er over door met de niet aflatende drammerigheid die er waarschijnlijk ooit ook eens toe moest hebben geleid dat mijn vader de eigenaardigheid had ontwikkeld om tijdens gesprekken naar het plafond te staren.

Ik liep naar de drankkast. Ik hoopte dat ze afgeleid zou worden. Een vlo bij de hond. Thuiskomende buren.

‘Hij neemt er nog een,’ ondertitelde mijn vader.

‘Ik snap er niets van,’ zei mijn moeder nog eens ten overvloede.

Ik moest nu wat gaan zeggen, anders was er niet genoeg drank in die kast om me weer rustig te krijgen. Hoever ik het ooit zou schoppen, welke hindernissen ik ooit zou weten te nemen, mijn moeder de mond snoeren zou mij nooit lukken en mijn vader ook niet.

‘Waarom bekijk je het niet anders, ma…’ De baby van de maand had model gestaan voor mijn glimlach. ‘Misschien zijn er zat mannen die er op hun beurt weer niets in zouden zien om met de voorzitster van de vereniging van plattelandsvrouwen te slapen…’

Mijn vader die zijn hoofd wat had laten zakken, keerde zijn blik alweer naar het plafond, scheen even na te denken en wees dan naar de walmen in het witsel boven de open haard. ‘Het wordt tijd dat we weer eens gaan witten.’

Mijn moeder zei niets. Ze hield haar blik star op de televisie gericht, maar ik kon zien hoe een rimpel aan haar mondhoek millimeters diepte won.

Betalen moet iedereen.


Het duurde even voordat Penthouse reageerde, dus ik had de verhalen ook opgestuurd naar literair tijdschrift De Held. Ook van hen hoorde ik niets, maar op een dag verschenen de verhalen en de tekeningen vrijwel tegelijk in zowel Penthouse als De Held. Later verschenen dezelfde verhalen ook nog in Propria Cures. Tevens verscheen er een klein boekje met alle verhalen en 6 van de tekeningen in een lage oplage bij Uitgeverij Kleyn.

Kathedraal Utrecht CS

Mijn grootvader, machinist bij de Nederlandse Spoorwegen tot eind jaren vijftig, moet zich gisteren driemaal omgedraaid hebben in zijn graf, toen de trein die mij van een bezoek aan mijn moeder terugbracht naar Amsterdam bij Driebergen-Zeist stopte en de machinist omriep dat we teruggingen naar station Arnhem omdat de machinist in de trein voor hem ‘een zachte klap’ had gevoeld en vermoedde dat iemand voor zijn trein was gesprongen.

Het lijkt me dat wanneer je als machinist gewoon recht vooruit kijkt – een van de weinige taken van belang die je moet uitvoeren – je heus wel weet of er iemand voor je trein is gesprongen, maar in principe zou dat verhaal kunnen kloppen. Tegen de zijkant van een rijdende trein aanspringen kan immers ook. Het zijn niet de slimste mensen die de weg niet kunnen vinden naar de driftig adverterende levenseindeklinieken.

Dat de gemiddelde Nederlandse passagier minder dom is dan de gemiddelde NS-medewerker bleek al snel, want men liep elkaar onder de voet om uit die stilstaande trein te komen. Ieder voor zich had uitgerekend dat er vanaf Arnhem geen laatste trein meer ging die hen nog diezelfde dag thuis zou kunnen brengen.

Het was immers ook nog eens Eerste Kerstdag.

Je zou denken dat er genoeg kantoorpikken, machinisten en buschauffeurs in het land zijn die een goed excuus konden gebruiken om verlost te worden van een heilig avondje met de schoonfamilie, maar de NS ondernam gewoon helemaal niets. Ondertussen braken er schermutselingen uit tussen mensen die uit die afgeladen trein waren gekomen en probeerden om zich massaal in een reguliere streekbus te vechten.

Dat had ik vaker meegemaakt. Voor mij, als iemand voor wie het onmogelijk is om op twee slechte heupen staande te blijven in een schommelende bus, was dat sowieso geen optie. Dan maar een taxi bellen. Door het jarenlange geblunder van de NS ben ik immers geheel gewend geraakt aan het onderhandelen met taxichauffeurs over langeafstandsritten.

De eerste taxi die ik gebeld had werd geclaimd door een groep Tokkies die beweerden eerder gebeld te hebben, maar ze wilden niet even in hun telefoon laten zien dat dit ook werkelijk zo was.

Twee wat oudere en wat hoerig uitziende dames van middelbare leeftijd hadden inmiddels een passerende automobilist die eruit zag als De Dood van Pierlala tot stilstand gebracht en dusdanig opgegeild met omhelzingen dat zij konden vertrekken. Uit de omlaaggedraaide raampjes van die auto juichend en middelvingers opstekend naar de achterblijvers verdwenen zij uit zicht.

Ik zat ongemakkelijk op de rand van een muurtje dit alles gade te slaan en dacht: Dit is Nederland, dat land dat ik al van kinds af aan niet serieus heb kunnen nemen.

Uiteindelijk kwam onze taxi en de chauffeur zag de menigte mensen die op een taxi stond te wachten en liet zich snel overtuigen om ons niet mee te nemen door een groepje criminele jongeren die met onwerkelijke bedragen fooi begonnen te schermen.

Inmiddels dacht ik: Laat iedereen in godsnaam maar eerst vertrekken, want ik wacht wel op de laatste taxi zodat ik in ieder geval mijn waardigheid kan behouden door geen al te vervelend gedrag te vertonen.

Een half uur later kregen we die taxi. Met een oplichter als chauffeur, maar een kniesoor die daar dan nog een punt van maakt en hij zette ons – na een korte stop zodat onze medepassagiers nog even konden pinnen – af bij Utrecht CS.

Ik was de laatste tijd nog niet op dat station geweest, maar ik keek mijn ogen uit. Een ware kathedraal heeft de immer falende NS daar neergezet. Je zou bijna gaan denken dat de NS haar passagiers serieus neemt. Schiphol steekt bleekjes af bij dat station, maar goed dan ga je de roltrap af naar het perron en vervolgens kom je in een ruimte terecht die eruit ziet als een deel van de oude, Duitse Atlantikwall.

Dan ben je meteen weer terug in de realiteit en weet je weer hoe de jongens en meisjes op de kantoren van de NS écht over passagiers denken.

De Tolk

In Moskou had ik echt een enorme weerzin naar mijn tolk opgebouwd. Ze was lesbisch, maar dat mocht natuurlijk niet zo heten in Rusland. Voortdurend hing zij aan de telefoon met haar boze minnares en ik weet niet of u wel eens twee weken van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat op pad bent geweest met iemand die om het half uur iemand per telefoon moet uitschelden, maar dat is geen pretje.

Het was niet mijn eerste bezoek aan Rusland en ik had me al eerder voorgenomen om Russisch te leren, maar dat lukte gewoon niet meer. Op school was ik goed in vreemde talen, maar nu gaat het leren van een nieuwe taal niet meer zo vlot.

Wel heb ik een account op de Russische Facebook oftewel vk.com (vKontakte) en daar onderhoud ik contacten met de modellen met wie ik bijzonder prettig gewerkt heb. Af en toe lever ik een commentaartje met behulp van Google Translate en dat levert eigenlijk alleen maar misverstanden op.

Nou had ik vanavond zo gedacht dat ik toch op z’n minst een paar mensen gelukkige feestdagen kon wensen, dus ik heb uren zitten oefenen met behulp van geluidsbestanden en fonetisch schrift om die woorden in het Russisch uit te spreken. Ook vond ik dat het een ludiek filmpje moest worden, zonder er rekening mee te houden het Russische gevoel voor humor wezenlijk anders is dan het westerse gevoel voor humor.

Ik plaatste de video op mijn vk-account http://vk.com/hansvanderkamp waar hij volledig genegeerd werd en op Instagram wist ik weliswaar wat ‘hartjes’ te oogsten van Russische modellen, maar voor de rest viel er een beleefd stilzwijgen.
 

Afspraken

Men beweert wel eens dat ik met ouderdom koketteer en die constatering gaat natuurlijk altijd gepaard met de opmerking: ‘Je bent net zo oud als je je voelt!’ Ik wil dan zeggen dat ik me op mijn zestiende al tachtig voelde, maar in plaats daarvan zwijg ik en denk aan het briefje dat ik ooit naast mijn bed vond bij het ontwaken. Een briefje geschreven door een groupie van de Golden Earring die na een concert bij mij was blijven slapen. Kennelijk had de groep geen emplooi voor haar gehad die nacht.

Het papier dat ze daarvoor had gebuikt was op ruwe wijze uit mijn mooiste Chinese cahier gescheurd. Omdat we in bed beland waren zonder eerst de gebruikelijke formaliteiten te doorlopen, wist ze niet hoe ik heette, net zo min als ik wist hoe zij heette. Dus de aanhef was: ‘Aan het alleroudste jongetje van Nederland.’ Daarna volgde een verhaal dat ze op tijd bij de bus van de Golden Earring moest zijn om weer terug te kunnen gaan naar Den Haag. Ik snapte die noodzaak wel, want vaker dan me lief was had ze mij gemeld dat ze geen geld had.

Het alleroudste jongetje. U ziet het, ik verzin die dingen niet zelf. Dus u kunt zich voorstellen hoe oud ik mij voel, nu ik eindelijk tot mijn eigen verbazing na een bijzonder ruig leven toch de 61 heb gehaald. Zo oud dat het eigenlijk niet meer in jaren te vatten is, dus ik zou kunnen zeggen dat ik me voel alsof ik zes levens heb geleefd. Een paar jaar geleden zei men dan nog: ‘Maar je ziet er nog zo jong uit!’ Dat is nu ook voorbij omdat ik het in grote hoeveelheden eten van chocolade als vervanging voor drank heb ontdekt waardoor ik in fat pants  en voor de omvang van mijn buik veel te korte XXL T-shirts door het leven waggel.

Ga ik me daar onzeker over voelen, dan herinner ik mezelf er snel aan dat een mooie jongen zijn in het verleden ook voor een hoop ongevraagd drama heeft gezorgd. Om in de sfeer van deze terugblik te blijven: dan had ik nog een intact Chinees cahier gehad en dan had ik me ook niet hoeven laten pijpen door een groupie die kennelijk dacht dat pijpen bedoeld was om niet alleen je zaad maar meteen ook je ruggenmerg naar buiten te zuigen.

Maar goed, ik kan met mezelf leven. Mijn karakter is uitgekristalliseerd en ik wil me niet meer verontschuldigen voor mijn vele onhebbelijkheden, want ik voel geen noodzaak mezelf nog te veranderen.

Met dat laatste maak ik echter een grote denkfout.

Ik zou in principe zo kunnen leven, ware het niet dat ik in mijn werk als fotograaf voortdurend met veel jongere mensen te maken heb en de manier waarop zij leven is wezenlijk anders dan hoe ik leefde in mijn jeugd. Ze lijden bijna allemaal aan Orthorexia Nervosa, oftewel een obsessieve interesse voor de bestanddelen van het voedsel dat ze tot zich nemen. Bovendien kunnen ze zich geen meter verplaatsen zonder een flesje water en een smart phone. Dat krijg je ervan als je mensen van een enkelvoudige dwangmatigheid zoals roken afhelpt, denk ik dan vaak.

Toch kan ik ook daar ook best wel mee leven. Waar ik minder goed mee kan leven is de manier waarop veel van hen met afspraken omgaan. Kennelijk is het zelfs voor goeddeels werkloze jongeren van het uiterste belang om drukbezet over te komen. Zo kan het gebeuren dat een model eerst in een open bui meldt dat ze de komende maanden geen andere afspraken heeft dan met het UWV en mail ik haar vervolgens of ze in de komende weken wellicht eens wil komen poseren, dan krijg ik als antwoord: ‘Yay! Cool! Zodra ik in de buurt van mijn agenda ben, dan zal ik even kijken.’

Zou die agenda dan niet in die smart phone zitten, vraag ik mij dan bezorgd af. Zou die nog gewoon van papier zijn? In een mooi Chinees cahier misschien?

Dan hoor ik dagen niets meer totdat de persoon in kwestie zich via een berichtendienst als WhatsApp meldt met een optie-afspraak. Wij noemden dat vroeger een in principe afspraak, maar de vlot Engels babbelende jeugd drukt zich bij voorkeur uit in Anglicismen. Daar is niets op aan te merken, want ‘in principe’ is van oorsprong Latijn en dus ook geen Nederlands. In het begin ging ik nog wel eens mee met zo’n optie-afspraak maar die worden dan vrijwel zonder uitzondering een kwartier van tevoren afgezegd.

Ik heb nog niet anders meegemaakt dan dat het zo verliep. Ik laat me echter niet snel ontmoedigen dus na nog een keer of twee afzeggen staat zo’n model dan uiteindelijk voor mijn camera. Eind goed, al goed zult u denken, maar de langzaam opgebouwde ergernis vertaalt zich ongewild naar mijn regie bij het fotograferen en dat is vaak goed zichtbaar in de eindresultaten van zo’n fotosessie.

De keuze is dus aan mij. Ik kan me aan die manier van afspraken maken aanpassen en vooral heel gezond leven zodat ik niet aan een door ergernis veroorzaakte hartinfarct bezwijk, of ik moet ervoor kiezen om met pensioen te gaan.

Even zeiken

Zo aan de vooravond van Kerstmis moet ik gewoon even zeiken. Ik heb nog niet nagedacht waarover, maar als het toetsenbord eenmaal rammelt dan komt het vanzelf. Van mijn uitgever uit een ver verleden mocht ik tegen niemand zeggen dat alle rottigheid die er dan uitrolt als het ware gedicteerd wordt door een hogere macht, maar nu ik allang niet meer schrijf op een wijze die taalkundigen zou moeten charmeren mag ik daar rustig voor uitkomen.

Zoals ik al zei: het wordt gedicteerd. Ik kan in een prima humeurtje zijn en tevreden naar mijn kopje koffie kijken om een moment later het toetsenbord naar me toe te trekken en vervolgens alles wat lief en dierbaar is af te fakkelen. Ben ik eenmaal klaar met het betoog dan is die kop koffie waar ik me zo op had verheugd allang koud.

Nu zit ik hier en de hogere macht zwijgt. Zou het dan toch zo zijn dat het blonde leeghoofd in het café gelijk had toen ze ooit beweerde dat alle mannen vroeg of laat wijwater gaan pissen?

Als het maar in een krachtige straal komt, had ik toen nog luchtig geantwoord, maar nu beangstigt die uitspraak me.

Net zoals de opmerking van een eindredacteur, die toen ik wat lang doorzeurde over iets wat in mijn eerste zin al duidelijk genoeg was geworden, nuchter constateerde dat oude mannen nu eenmaal wat nadruppelen.

Nog even en ik ga lijken op zo’n beeldend kunstenaar in een dorp met drieduizend zielen die helemaal in zijn eigen grootheidswaan opgaat omdat niemand hem ooit van kritiek voorziet. Men maakt in kleine gemeenschappen nu eenmaal liever geen vijanden.

U ziet het hier nu gebeuren. Zonder die hogere macht sta ik eigenlijk alleen tegen mijn eigen broekspijp aan te zeiken.